Hopelijk telt Tom straks niet

‘Maak voor mij maar spaghetti.’ Misschien win ik daar morgen wel een plaats mee. Wat extra koolhydraten. Niet dat ik me specifiek heb voorbereid op een tijdrit van twintig kilometer met de mountainbike. Ja, ben er vrijdag wel eens mee gaan trainen. Maar meer om te zien of het ding het nog deed. En hij deed het. Daar kan ik het straks dus niet op steken.

Bij aankomst in Hofstade – waar ploegmaat Tom en ik deelnemen aan een duo-duatlon, dit zal ik er maar bij vertellen – vertrek ik meteen op verkenning. Een halfuur later arriveer ik weer bij de wagen, waar onze pa samen met ploegmaat Niels (die we door een voor de hand liggende reden eigenlijk altijd bij zijn familienaam noemen) me opwachten. Ik kan mijn teleurstelling moeilijk wegsteken. ‘Verwacht maar niet te veel, het gaat niks worden’, ben ik heel duidelijk. ‘Maar vertel het niet aan Tom.’

Tom is nog bezig aan zijn verkenning en komt later toe. Dat het een lastig parcours is, vertel ik hem. En dat ik het wel zie zitten. Maar het liefst loop ik zo ver mogelijk weg. Er is veel zand en nog meer modder. De regen van deze week heeft het parcours serieus beïnvloed. En de wind maakt het ons niet makkelijker. Ik vraag me af waarom ik dit zo leuk vind.

Om 11u staan alle duo’s aan de start. We zijn met 115. Tom start heel goed en loopt hard. Na drie kilometer bereikt hij de wisselzone maar door wat geklungel van ons beiden spring ik pas als 18e de mountainbike op. De koers ligt nog helemaal open en de verschillen zijn beperkt. Met de huidige conditie kan ik alleen de schade beperken, weet ik, en dus laat ik niet zomaar iemand voor.

Na een kilometer volgt al een bochtige singletrack. Iets waar inhalen moeilijk en soms onmogelijk is. Dacht ik. Sommigen halen grote manoeuvres uit om een plaats te winnen. Ik heb snel door dat het nog moeilijker gaat worden dan ik dacht. Zeker wanneer ik het bos indraai. Een modderpoel van drie en een halve kilometer. Stoempen. Ik ga zo hard ik kan maar word langs links en rechts voorbij gestoken. Hopelijk telt Tom straks niet.

Bij de eerste passage op het strand valt me op dat de wind is gekeerd. Het enige stuk waar ik een beetje naar uit keek heeft zich tegen mij geweerd. Geen moment recuperatie. Ter hoogte van de wisselzone besef ik dat ik nog twee keer moet. De drang om op te geven spookt gedurende de tweede ronde vaak door m’n hoofd. Hartslag 175. Lager gaat ‘m niet. Hier is niks leuk aan. Maar ’t heeft ons wel bijna veertig euro gekost.

En dus ploeter ik langzaam verder door de modder. Ik zie er niet uit. Hopelijk krijgt ons ma m’n kleren nog proper. Ik krijg ook pijn in de rug. Is dit wat Bart Wellens voelt? Ik strek de rug een paar keer. Ondertussen passeren er weer twee. Ben de tel al kwijt. De aanmoedigingen van onze pa, Niels en Dieter, een andere ploegmaat die is komen supporteren, helpen een stuk verderop wel. Kan weer een hartslag hoger gaan. Maar die momenten duren nooit lang genoeg.

Tom heeft zich bij het stuk losse zand gezet. Besef ik maar half. Ik hoor iemand naast me lopen terwijl ik door het zand probeer te rijden. Maar het tempo zakt. Ik geraak vast en spring van de fiets. Er blijft iemand naast me brullen. Is nog steeds Tom, denk ik. Ik zit kapot. Bij het afspringen verlies ik m’n evenwicht en door de vermoeidheid maak ik een knieval. Verdomme. Ook dit nog. Ik ben hier niet graag.

En toch krijg ik moed. ‘De laatste ronde’, hoor ik aan de wisselzone. ‘Vijftien seconden’, roepen ze me ook toe. ‘Ge kunt er nog twee pakken.’ In het stuk singletrack haal ik ondanks mijn slechte bochtentechniek toch een concurrent in. De volgende zie ik in de verte rijden, maar hoe hard ik ook mijn best doe: ik zal ‘m niet meer inhalen.

In de laatste kilometer neem ik geen risico meer. Of wil ik niet het risico nemen om opnieuw dezelfde fout te maken in het bijzijn van toeschouwers. Geen knieval. Ik loop zo hard als ik kan door het losse zand, spring op de fiets en probeer er tot aan de wissel nog een laatste spurt uit te trekken. Het wordt ook gewaardeerd. ‘Niels van Team WVcycling perst er alles uit’, klinkt het door de luidsprekers. Was het maar voor een mooie ereplaats.

De wissel met Tom loopt opnieuw niet perfect, maar iedereen ligt wel op z’n plaats. Denk ik. Maar Tom loopt opnieuw heel goed en haalt alsnog twee man in. Goed voor een 25e plaats op 115 deelnemers. Had ik eerlijk gezegd niet meer verwacht. Ondanks alle ellende gaf het een leuk gevoel om een team te vormen met één van m’n beste kameraden. Maar of onze vriendschap groot genoeg is om volgend jaar opnieuw deel te nemen: ik weet het nog niet.

Verdomme. Kramp.

Gefrustreerd was ik. En boos. Op mezelf. Ben veertigste geworden, of zo. Mijn slechtste uitslag van het seizoen. De goede vlucht op een haar na gemist. Ik wist dat het zou gebeuren en laat me toch insluiten. In een poging om de meubelen te redden krijg ik te weinig hulp. Een peloton van zestig man rijdt voor de tiende plaats. Godverdomme. Sukkelaars.

De volgende wedstrijd zou ik op alles reageren wat bewoog, beloofde ik mezelf. Het rondje van 4,7 kilometer met een lastige knik, waar we twaalf keer over moeten, in de straten van Meilegem – ergens tussen Oudenaarde en Zottegem – was daar dan ook het ideale parcours voor. Op mijn maat. Het Kampioenschap van de Vlaamse Ardennen. En of ik er zin in heb.

Ik doe wat ik me heb vooropgesteld en spring bij elk mogelijke ontsnapping mee. Degenen die solo gaan laat ik vertrekken, want heel ver komen die toch niet. ’t Is vermoeiend koersen, maar ik wil straks niet weer de goede boot hebben gemist. Elke ronde opnieuw herhaalt zich hetzelfde tafereel: op de korte maar lastige knik volgt een versnelling. En ik ben mee.

Maar niemand raakt weg. En de inspanningen beginnen zich halfweg koers stilaan op te stapelen. Alleen op frustratie red je het niet. Ik gooi een extra gelleke naar binnen en probeer zo vaak mogelijk te drinken. ’t Is dan ook bijna dertig graden. We naderen snel opnieuw de knik en het is verdacht stil in het peloton. Ben blijkbaar niet de enige die moe aan het worden is.

Bij het opdraaien van de steenweg, zo’n vijfhonderdmeter voor onze Mont Ventoux, is ’t weer van dat. Binnenkant bocht versnelt een van de beteren uit onze toeristencategorie. Ik reageer, maar moet extra meters maken omdat ik aan de verkeerde kant zit. Er is een kleine kloof en ik besef dat die zo snel mogelijk dicht moet. Maar de aanvaller wacht niet.

Ik blijf een ronde lang op goed honderd meter hangen en kom pas aan de voet van de volgende passage aansluiten. Nog eens vier andere gasten doen hetzelfde. We zijn weg met zes. Hoe groot onze voorsprong is weet ik niet precies. Door de opeenvolging van bochten is het moeilijk om in te schatten. Bovendien is er niet veel tijd om achteruit te kijken. Het gat moet worden uitgediept, pas daarna is er tijd om te pokeren.

De eerste ronde verloopt de samenwerking goed. Iedereen lost elkaar prima af. Pas op goed drie ronden van het einde slaan er voor het eerst een paar hun beurt over. Ik probeer hen op andere gedachten te brengen. ‘We hebben tien seconden’, roep ik een paar keer. Onzin, natuurlijk, denk ik, maar misschien gaan ze daardoor na mijn beurt toch weer overnemen. En ’t mist zijn effect niet.

Het begint in mijn hoofd te spelen dat ik in een situatie zit waarin ik nooit eerder heb gezeten. Hoe moet ik hier straks winnen? Het afmaken in de sprint? Aanvallen op de knik? Mag ik überhaupt als eerste aanvallen? Die mannen zijn toch steeds gedoemd om te verliezen, zeggen ze altijd op tv? Mijn laatste vraag doet er al snel niet meer toe. De eerste aanval is een feit. En ik zat weer te slapen.

Ik ga de laatste ronde in met een kleine achterstand. Ik ben de enige van de zes die heeft moeten afhaken. Heb ik te veel gegeven in de ontsnapping? Of misschien in het begin van de koers? Ik blijf zo snel mogelijk fietsen ondanks de pijn. Wil straks niet overvallen worden door het peloton. Zesde is aanvaardbaar, hoewel die vijf man voor mij weer iets groter worden. Het valt er stil en ik kom bij het opdraaien van de steenweg toch weer terug.

Wachten heeft geen zin en dus houd ik mijn snelheid aan en zet ik door. Mijn enige kans om te winnen. Ik voel ze twijfelen en probeer op de laatste knik al rechtstaand een laatste keer door te trekken. Verdomme. Kramp. Moet weer gaan zitten. Heb goed vijftig meter, hoop ik. Durf niet achterom te kijken. Het zal toch geen waar zijn? Ik droom heel even. Een paar seconden. En zie er dan plots toch weer vier passeren aan de andere kant van de weg. Bam. Game over. Dan toch.

Uiteindelijk bol ik als vijfde over de streep. En daar kan ik mee leven. Het beste resultaat van het seizoen. Misschien had ik die ambetante ervaring in Beveren van een paar dagen geleden wel nodig?

N.

Paris-Roubaix

Armen, benen, handen, schouders, rug: alles doet pijn. Kan nog maar met moeite in m’n bidon knijpen. Heb echt geen zin meer om nog verder te gaan. ’t Is nog dertig kilometer. Parijs-Roubaix moet je niet fietsen voor je plezier. Heb het misschien een beetje onderschat. Hoe bizar. Dan kijk je een half jaar uit naar die ene dag en wanneer het zo ver is wil je niks liever dan dat het zo snel mogelijk voorbij is. Hoe het verlangen naar soms groter kan zijn.

De wekker loopt om kwart voor vier af. Heb tegen alle verwachtingen in goed geslapen. Zeven uur zelfs. De wagen laden en rond half vijf zijn we vertrokken richting Busigny. ‘We’ zijn dit keer de ouders en m’n zus Nikki. Ze zullen volgen waar het kan. Hier en daar eens een strook meepikken is het plan. Ik zal ze over de hele dag echter maar weinig zien. Weet ik dan natuurlijk nog niet. Rond half zeven komen we aan in Busigny, waar de cyclo van start gaat.

Nee. Geen Parijs. De ontgoocheling bij Nikki was bijzonder groot. We starten zelfs niet eens in Compiègne, waar die van morgen vertrekken. De cyclo van Parijs-Roubaix bestaat dit jaar slechts, tussen aanhalingstekens, uit 170 kilometer. De laatste 170 kilometer van het echte parcours. Iets meer dan 52 kilometer over kasseien dus. Welkom in de Hel.

Met de Ronde van Vlaanderen en Luik-Bastenaken-Luik op mijn cyclopalmares kon ik haast niet anders dan ook Parijs-Roubaix te proberen. Ben bang voor mijn materiaal, ondanks dat ik koste nog moeite heb gespaard om mijn vehikel kasseiklaar (is dat een woord?) te maken. Ik start met 25 millimeterbandjes en heb een extra stuurlint met gel aangebracht.

De massastart mis ik met een haar en dus vertrek ik om 7.20u voor een lange solo. Dat de wegen meer af dan op lopen geeft mij veel moed. Geen Luik-Bastenaken-Luik-toestanden. Naar beneden, en dan: vlak! Al is dat laatste relatief. Na dertien kilometer volgt al de eerste van 27 stroken. Troisvilles à Inchy heet het ding. Iets meer dan twee kilometer en drie sterren waard.

Ik ondervind al snel dat ik op het buitenblad een stuk makkelijker over de kasseien rijd. De kantjes zoek ik niet op. Daar is ’t vuil en rijd je sneller lek. Bovendien ben ik niet naar hier gekomen om in ’t veld te rijden. De eerste 500 meter kasseien zijn leuk. Ik heb het gevoel dat ik er echt aan begonnen ben. Daarna volgt al een lichte vorm van irritatie. En daarna volgt gewoon irritatie.

De stroken volgen elkaar in een sneltempo op. ’t Valt allemaal wel mee, probeer ik mezelf wijs te maken. Ik rijd iedereen voorbij. Ik ben goed. Misschien heb ik mijn ding wel gevonden ondanks de irritatie. Na een kilometer of 70 zie ik in de verte Wallers liggen. ’t Bos is niet veraf. Laat maar komen.

Ik kijk enorm uit naar ’t Bos en ben tegelijk ook bang. Ik denk aan Johan Museeuw en het been dat hij daar bijna verloor in 1998. Maar ik moet erdoor. Hoe dan ook. Het Bos maakt al van in de verte veel indruk. Ik zie links en rechts bomen, daar tussen iets wat van ver op een stuk straat lijkt waar geen einde aan komt. Maar hoe meer ik nader, hoe slechter die straat eruitziet.

Met links en rechts heel veel publiek moet ik mijn best doen om niet te snel te willen gaan en de concentratie niet te verliezen. De stenen liggen hier enorm slecht. Dit heb ik nog nooit gezien. ’t Gaat van links naar rechts: zoeken naar een degelijke lijn. Ik zie renners over de dranghekken kruipen en verder rijden op een stuk grind dat vanop de kasseien op een racebaan lijkt. ’t Is enorm verleidelijk om niet hetzelfde te doen. Maar ik kan niet: aan het einde van de strook staan mijn ouders en mijn zus. Vandaag moet ik held spelen.

De 2,4 kilometer door het Bos zijn een echte hel. De irritatie zet zich om in frustratie. Blij dat ik er vanaf ben. De volgende stroken kunnen alleen maar meevallen. Dat doen ze ook. ’t Is te zeggen: de eerste twee. Daarna is het vooral pijn lijden en zoeken naar een positie die dat een beetje beperkt. Op Mons-en-Pévèle bedrieg ik voor het eerst de kasseien.

Ik kan het niet laten en zet mijn principe even opzij. Iedereen passeert me nu langs links en rechts en ook al staan die mensen een kilometer verderop aan de kant met een lekke band: ik kan niet anders. De verleiding voor het grind is groot, de pijn nog groter. Ik gun mezelf een meter of vijfhonderd een stukje comfort. De tijd gaat iets sneller vooruit.

Wanneer de volgwagen naast me komt gereden en me nog eens voorziet van voldoende bidons en energiebars wil ik maar één ding weten: zit ik al over de helft van de in totaal aantal kasseikilometers? Ik stel mijn vraag niet. Te bang voor het antwoord.

Op Templeuve – Moulin-de-Vertain kom ik mezelf lelijk tegen. Met zijn halve kilometer nochtans de minst lange van alle stroken. ’t Is nog amper dertig kilometer, maar de tank is leeg en alles doet pijn. Misschien zijn die kasseien toch niks voor mij. Ik zet de tocht ondanks de aanhoudende kotsneigingen verder. Zou het mezelf nooit vergeven nu op te geven. De piste wenkt.

Ik zit voor de rest van de rit met mijn gedachten al in Roubaix. Nog dertig kilometer. Dat zijn er nog twintig tot de laatste tien. Vanaf daar zal ik op euforie met hoge snelheid richting piste rijden. Hoop ik. De realiteit is anders. De kilometers volgen elkaar in een traag tempo op. Heb ondertussen ook helemaal geen idee meer hoeveel stroken er nog moeten komen.

Goed honderd meter voor de gevreesde Carrefour de l’Arbre verbeter ik mijn record aantal keer wildplassen op één dag. Dat dokkeren op de kasseien is ook voor mijn blaas alles behalve goed. Twee bochten verder volgt dan de Carrefour en een dikke shit. Bijna vergeten dat die nog moest komen. De fans zijn er niet geraakt, maar dat vind ik niet erg: ik kom geen poot meer vooruit.

’t Is nog vijftien kilometer tot de finish. Heb het parcours goed bestudeerd maar mijn geheugen laat mij gelukkig in de steek. Ik weet beter niet dat er nog drie secteurs volgen. Die in Gruson is honderdtachtig kilometer lang, die Hem nog net iets langer. De opluchting bij het zien van het bord van de laatste vijf kilometer is groot.

Ik schakel voor het eerst sinds het Bos weer over naar het buitenblad en probeer zo hard mogelijk te fietsen tegen de wind in. De teller nadert de 30 kilometer per uur, maar het gemiddelde stijgt niet meer. De vooropgestelde 27 is een gemiddelde van 25,5 geworden. En in het centrum van Roubaix zal het door de opeenvolging van rode lichten alleen maar zakken.

De laatste strook is een lachertje. Die net voor het opdraaien van de piste. Ik hou mijn adem in bij het zien van alle mensen en kan alleen maar hopen dat ik bij het nemen van de ultieme bocht niet val. Op de piste zelf raak ik vast achter een trio dat wil poseren voor de foto en hen voorbij rijden durf ik niet. Door de vermoeidheid is mijn techniek niet meer wat ze is geweest.

Ik zie Nikki en onze Pa langs de kant en ons Mama staat een eind verderop. Ik rijd nog een ronde – want zo hoort het – en bal de vuist bij het overschrijden van de finish. Het moment waar ik lang naar heb verlangd. Kicken. En genieten, want ik kom hier nooit meer terug. Dat heb ik mezelf dertig kilometer geleden beloofd. Al is een deel van de miserie op de piste wel vergeten.

N.

Driekleur

Ik heb maar één doel: het wiel van nummer 71 volgen en passeren. Dan ben ik kampioen. Denk ik. Ik heb mijn huiswerk wel gemaakt en weet dat 71 een grote kanshebber is op de Belgische driekleur die klaar ligt voor de winnaar. Die mag zich een jaar lang, tenzij een nieuwe onderbreking, de beste fietsende persmens noemen.

Gekeken naar het niveau van mijn wedstrijden is dit de belangrijkste uit de reeks. Alleen vanwege die trui. Dat de mensen zullen omkijken en zich afvragen of ik die trui wel waard ben zal ik er wel bijnemen. Maar dan moet ik wel eerst over die streep zien te geraken. Plaats van afspraak: het autocircuit van Heusden-Zolder.

Het parcours is vier kilometer lang en bolt over mooie brede wegen. Met veel geluk zal ik de remgrepen amper moeten aanraken, maar ik weet wel beter. Door de magere opkomst van persmensen (we zijn met twintig) rijden we overigens samen met de medici en kinesisten. Goed voor een groep van een man of zeventig.

De tactiek heb ik al een beetje verraden: geen trap teveel geven. Het parcours leent zich niet voor een solo. Ik zet alles op mijn sprint. Bij de start weet ik dan ook al dat het een heel saaie wedstrijd zal worden. Ik demarreer al eens graag. Maar de vrienden hebben het er deze week goed ingepropt: blijven zitten en niks doen. Ik gehoorzaam.

Of toch tot halfkoers. Toeval of niet – waarschijnlijk niet – zit ik achter nummer 71. Hij demarreert. Ik twijfel, maar ga toch mee. We hebben snel twintig meter. Hij vraagt om over te nemen. Doe ik. Maar op het moment dat hij mijn rugnummer ziet (waaraan we de categorieën van elkaar kunnen onderscheiden) houdt hij de benen weer stil.

Heb ik mij laten vangen? Ik moet een ronde op adem komen. Die halve kilometer reden we aan 60 kilometer per uur. Een goede reden om terug een brede rug op te zoeken. Maar het had nooit zo ver mogen komen. Eén cartouche kwijt. Als ik straks met een centimeter verlies vergeef ik mij mijn nutteloze reactie nooit.

Net als alle andere renners zou nummer 71 nooit zijn weggeraakt. Besef ik pas wanneer de hartslag weer gezakt is. Ik keer terug naar de vooropgestelde tactiek en volg het peloton. Ik probeer de tijd te doden door te drinken, een gelleke naar binnen te spelen en de ronden af te tellen. Na dik anderhalf uur gaat de bel.

Het tempo gaat de hoogte in. Ik blijf in het wiel van mijn favoriet en ben klaar om te sprinten. Maar dat is buiten nummer 72 gerekend: die is weer gaan aanvallen. Ik raak niet in paniek. Kan toch niets doen uit positie vijftien. Die 72 zal wel terugzakken. Net zoals bij zijn tien eerdere pogingen.

Op het steil knikje loopt het met mij helaas mis. Ik krijg een flinke duw en kom in het gras terecht. Ik verlies tien plaatsen en het wiel van de man die me een groot deel van de wedstrijd onbewust uit de wind heeft gezet. In een poging om snel mijn plaats weer in te nemen gaan een groot deel van mijn krachten verloren. Ik draai de laatste bocht in als vijftiende.

Ik begin te sprinten maar krijg mijn 52×12 niet snel genoeg meer rond. Ik besef dat de trui niet voor mij is. Ik sprint door en passeer als twaalfde de streep. Dan is het tellen. En vloeken. Nummer 72 bleef buiten schot en pakt verdiend de driekleur. Nummer 71 werd tweede en ook eentje van Sporza bleef mij voor. Dikke kak. Vierde.

Hoe relatief deze of eender welke koers ook is: ik had daar graag op het podium gestaan. Maar gezien van waar ik kom (anderhalf jaar niet aan competitie kunnen doen door een virus) moet ik tevreden zijn. En toch ben ik dat niet. Nog niet. Misschien morgen wel. Of de dag daarna.

Luik-Bastenaken-Luik

Klimmen heeft een heel andere betekenis gekregen. Na Luik-Bastenaken-Luik is de Hoge Jan in Buggenhout plots een stuk platter geworden. La Doyenne is geen meter vlak. Geen meter. Altijd op en af. Dat laatste valt nog mee. Of toch in het begin, of als het droog is.

Na drie keer de Ronde van Vlaanderen was ik toe aan een nieuwe cyclo. Parijs-Roubaix is niet goed voor m’n materiaal en de Amstel Gold Race zegt me helemaal niks. De keuze was dus snel gemaakt: we rijden van Luik naar Bastenaken en terug naar Luik.

De laatste bloeduitslag was niet al te best en dus nam ik de laatste weken naar Luik toe meer rust. Tegen de zin. Schrik dat ik Luik niet meer terug zou zien kreeg ik de dagen voor de tocht al enorm veel zenuwen, maar eens aangekomen is daar gelukkig weinig sprake meer van.

’t Is half zeven en dus is er voldoende tijd om me klaar te maken. De inschrijving verloopt erg vlot, mijn bezoek aan het toilet (zo’n Toi Toi spel) iets minder. Heb al wat koerskleren aan. Dom. Dan maar vertrekken met een paar grammetjes meer. ’t Zijn maar tien hellingen, hé. Die overleef ik daar wel mee.

De kilometers naar het officiële parcours van Luik-Bastenaken-Luik zijn een kleine ramp. Een steile afdaling op kasseien en veertig rode lichten. Een groepje zoeken is het plan, maar door steeds weer te stoppen komt daar tot het uitrijden van de stad niets van in huis.

Een eind verderop, ongeveer aan kilometer dertien, laat ik me toch gewillig inlopen. Niet veel later heb ik echter begrepen dat in groep rijden hier niet heel ideaal is. Bergop rijden er al een hele tros flink door – die rapen we straks wel weer op – en in de afdaling bouw ik graag wat veiligheid in.

Wanneer het plots hevig begint te regenen is het nog een stuk minder gezelliger. En bij de splitsing draaien er een hoop wijselijk af. Ik blijf alleen over met in de verte voor me een groep uit, in de achtergrond alleen maar eenzaten. En hoe hard ik ook mijn best doe: die groep zal ik nooit bijhalen.

Met de regenjas aan gaat het richting Bastenaken, waar onze Papa en Nikki me een nieuw paar (en vooral droge) schoenen bieden. Een luxe die niet iedereen heeft. Ik kan er weer tegen en met de wind in de rug krijg ik weer wat motivatie. De eerste helling ligt inmiddels al achter de rug. En ik heb het niet eens gemerkt.

De wegen lopen in de Ardennen altijd op en af. En dus kom ik pas later tot het besef dat we de Côte de la Roche-en-Ardenne al voorbij zijn. De tweede is andere koek. De Côte de Saint Roch heb ik wél gezien. Een beest van 1.100 meter met een gemiddelde stijging van 11% en pieken tot 20%. De Saint Roch is me 1.100 meter te lang.

Na 140 kilometer kom ik mezelf lelijk tegen. Heb me nochtans niet vergaloppeerd. Gewoon niet goed genoeg. Ik probeer de gedachten op mijn benen af te zetten en te genieten van het landschap, ondanks dat het weer is beginnen regenen. Ik put weer motivatie en voor ik het weet (eigenlijk echt niet) zijn we aan de Côte De Wanne. Een loper.

De hellingen volgen elkaar nu in een sneltempo op. De Côte de Stockeu is een verschrikkelijk ding en net zo erg als de Saint Roch. Nooit meer. Of toch niet dit jaar. Een beetje verder ligt de Côte de la Haute-Levée, een saai stuk, de Col du Rosier, eentje van zes kilometer en de Col du Maquisard, waar de wind mee zit.

Op de Mont-Theux probeer ik de benen te sparen met het oog op de Côte de la Redoute. Sparen zit er echter niet in. Ik voel mijn band achteraan leeglopen. Geluk bij een ongeluk staat onze Pa boven om me te helpen. Een nieuw wiel steken doe ik liever niet. Geef mij maar terug die 27.

De laatste bevoorrading ligt een beetje ongelukkig net voor het monster en dus rijd ik er voorbij. De benen lopen leeg, of zijn dat eigenlijk al. Heb immers al 236 kilometer op de teller staan. Maar La Redoute moet wel meevallen: volgens Matt, mijn trainingsmaat die van thuis uit volgt, moet de wind zo in ’t gat zitten!

Ik draai La Redoute op en probeer mijn 27 te sparen tot het lastige stuk, maar zit wel al op mijn 20. Rustig blijven. Tot na de bocht op de 25. Niet naar boven kijken! Bocht voorbij. 27. Hoe zeg je ‘duw mij’ in het Frans? Logisch denken zit er even niet meer in. Tegenwind. Godverdomme, Matt! De mensen applaudisseren. En ik kom eigenlijk geen poot meer vooruit. Het blijft oplopen. Dat de profs hier nog demarreren? Ik rijd tien per uur, of zo. Hoop ik. Ik ben er bijna. Nog twee te gaan.

Het aftellen is begonnen, hoewel ik dat stiekem al 200 kilometer doe. Het einde is nu wel in zicht. Ik amuseer me wel, maar ik zit tegelijk echt wel kapot. De Côte de la Roche aux Faucons is een vloekfestival. Blij dat ik boven ben geraakt. Die 39×27 is me iets te groot vandaag.

Op de Côte de Saint-Nicolas rijden me er nog een paar helden voorbij. Het einde van mijn krachten. De tijdsopname kan me gestolen worden. Luik is altijd het enige doel geweest. Ik roep nog eens naar Nikki. Hoever is het nog? Ter bevestiging. De lach op mijn gezicht bij haar antwoord is niet meer dan een lelijke grimas meer. Nog zes. En het staat er ook gewoon: nog zes kilometer!

Als het dan ook nog eens in dalende lijn richting het centrum van Luik gaat, weliswaar met opnieuw een paar rode lichten, weet ik met mijn vreugde geen blijf. Die laatste regenbui kan de pret niet bederven, en toch blijft een grote kick negen kilometer (en geen zes, leugenaars!) verder uit. Te moe.

Na 271 kilometer, waarvan 220 solo, is Luik dus weer een feit. Het doel is bereikt. En die medaille is een mooie herinnering. De rest vergeet ik mee te nemen. Nu is een periode van rust welgekomen om de bloedwaarden weer wat op te krikken. Een volgende uitdaging is dus nog niet voor morgen. Maar deze nemen ze me niet meer af.

Niels