Finish Schleck Gran Fondo 2017

Koers in de koers

Glimp naar beneden. Naar het uur op mijn computertje. En een halve minuut later opnieuw. Een halfuur kan verdomd lang duren. Ik sta aan de start van de eerste Schleck Gran Fondo, in Mondorf-les-Bains, in het zuiden van Luxemburg. We zijn met 1.100 deelnemers, daarvan 1.000 en een beetje in mijn rug. Ik sta dus goed vooraan. Het zou niet lang duren. Weet ik dan nog niet.

Om half tien geeft ex-renner, en organisator, Fränk Schleck het startschot. Onmiddellijk gaat het van nul naar vijftig kilometer per uur. Een halfuur aan een stuk. Ik kan goed sturen, maar ben nerveus en wil vooral niet tegen de grond gaan. Bij elk manoeuvre zoek ik naar de rem en verlies ik een plek of tien. Het duurt niet lang voor ik aan de staart hang.

Na 20 kilometer volgt de eerste beklimming. Eindelijk. Naar boven. En opschuiven. Sommigen vergeten te schakelen. Ik hoor knieën kraken. Stilstaan. En terug optrekken. Zit hier niet op mijn plaats. Ik maak gelukkig snel weer plaatsen goed. Maar in welke positie ik fiets, zal ik de rest van de rit nooit weten. Speelt voor mij ook geen grote rol.

De bevoorradingen onderweg rijden we aan een hoge snelheid voorbij. ’t Is koers hier, geen toertocht. Maar 162 kilometer zonder bevoorrading gaat ook niet. En dus heeft iedereen onderweg wel iemand langs de kant staan. Ik ben geen uitzondering. Mijn vriendin Sofie en mijn ouders rijden van punt naar punt, om mij van drank en sportrepen te voorzien.

Mijn dank is groot.

Na 80 kilometer zijn we halfweg. Ik zit nog steeds in dezelfde groep, al is ze ondertussen een stuk kleiner geworden. Op elke beklimming haken meerdere renners af. Een afvallingskoers. Ik houd goed stand en heb eigenlijk meer moeite om te volgen wanneer het naar beneden gaat. Maar ik overleef. Tot de maag moeilijk gaat doen.

Omdat ik bang ben om te weinig te drinken, ga ik juist het tegendeel doen. En dat misschien iets te veel. Ik krijg last van de maag en zal een uur lang geen bidon meer aanraken. Ook niet goed. Ik moet eigenlijk dringend naar toilet, maar dat kan natuurlijk niet. Ik zit in een goede groep en nu loslaten zou heel jammer zijn.

Maar ik verlies. Op kilometer 130 kan ik echt niet meer. De broek gaat naar beneden.

Ik sta een dikke minuut aan de kant. En dan is er opluchting. Ik kan weer. Weg last. En weer die fiets op. Direct klimmen. Misschien heb ik niet de meest ideale plek uitgekozen, maar ’t was daar of in de broek. Ik zie mijn groep in de verte rijden en probeer meters goed te maken. En dat lijkt ook te lukken.

Eens helemaal boven kom ik op een twintigtal seconden. Ongeveer. Heb niet zitten tellen. Het moet zoiets zijn. Sofie en mijn ouders was ik tijdens de klim gepasseerd, zonder bidon aan te nemen. Ik had er nog, waar ik al een uur niet van had gedronken. Wisten zij natuurlijk niet. En dus komen ze met de wagen plots naast mij gereden.

“Bidon?”

Ik vertel in vijf woorden wat er is gebeurt. En dat ik gewoon terug naar de groep wil. Maar ik krijg het laatste gaatje niet dicht. En dus doe ik wat ze op televisie ook doen: een bidonneke aannemen. Ik rijd een kilometer achter de wagen en sluit (met rode wangen) weer aan bij de groep, die ondertussen maar een man of 20 meer groot is.

In de laatste 20 kilometer liggen nog drie beklimmingen. Er volgen een paar versnellingen, maar niemand rijdt ver weg. Het is koers in de koers. Niemand heeft echt een idee voor welke plaats we rijden, maar dat lijkt niet zo veel uit te maken. Voor mij ook niet. Ben niet naar hier gekomen voor een uitslag. En toch kan ik het mij niet laten niet mee te koersen.

Na de laatste klim volgt een afdaling die ons naar de laatste kilometer brengt. Ik demarreer voor de top en probeer zo de groep achter mij te houden. Lukt natuurlijk niet. In de afdaling ben ik een vogel voor de kat. Op iets meer dan een kilometer van de streep komen ze weer terug. We gaan sprinten.

Net zoals in ‘t echt zien we om de 100 meter de bordjes passeren. Ik ga op die van 300, heb ik me voorgenomen. 500. 400. 300. Nu gaan! De anderen dachten precies hetzelfde. Ik geef alles en rij als vierde van mijn groep over de streep. Wat het uiteindelijk waard is, weet ik pas een dik uur later. Ik ben 329e.

Ik kwam zonder veel verwachtingen naar Luxemburg, maar ga wel met een goed gevoel weer naar huis. De cijfers die we haalden, haalde ik nooit eerder: 162 kilometer, 2.250 hoogtemeters en dat aan een gemiddelde snelheid van iets meer dan 35 kilometer per uur. Ik ben klaar voor Milaan-Sanremo, straks op 11 juni. Mijn hoogtepunt dit seizoen.

N.

We gaan ‘m nog pakken

Een week na het wereldkampioenschap voor journalisten sluit ik mijn seizoen af op het wereldkampioenschap van Lebbeke. Of zeg maar kampioenschap. Na mijn tweede plaats van vorig jaar hoop ik dit keer op winst en dus ook om mijn titel in mijn leeftijdscategorie te verlengen. We staan aan de start met een stuk of 30. Heel groot is Lebbeke niet.

In de editie van vorig jaar leerde ik Koen kennen. Nu trainen we geregeld samen. Koen sukkelt met een spierziekte en is actief in het paracyling. Nog twaalfde op het WK in Zwitserland begin augustus. Twee plaatsen beter dan ik op mijn WK afgelopen week. Ga het nog lang mogen horen. We hopen straks samen op het podium te staan.

Iedereen kent elkaar ondertussen een beetje en dus zijn de twee verplichte ronden achter de wagen een stuk minder onaangenaam dan vorig jaar. Na de echte start volgen meteen een paar demarrages. Bart (de klootzak die mij vorig jaar klopte) en Joachim (ook een gevaarlijke klant) proberen het tevergeefs.

Ik probeer mij koest te houden en weinig of geen energie te verspillen. Een echte tactiek heb ik niet. Het parcours is – hoe kan het ook anders – helemaal vlak en de wind blaast in de laatste drie kilometer volledig in het nadeel. Sprinten dus? Waarschijnlijk. Dan moet ik wel afrekenen met Bart. Maar ik heb geen schrik voor hem.

De ronden gaan snel voorbij. En elke keer herhaalt hetzelfde scenario zich: met de meewind wordt er – uiteraard – hard gereden, waarna iedereen zich spaart voor het stuk tegenwind naar de aankomst toe. Daar is ’t ook elke keer hard rijden. David zijn schuld. Hij plaatst er ronde na ronde een demarrage.

Ik kan het niet laten om niet te reageren. Ik moet reageren. David is een van de kanshebbers. Op Strava (een website waar wij wannabe’s onze trainingsritten vergelijken) ben ik elke keer onder de indruk van de gemiddelde snelheden die hij haalt. En dus is hij iemand die ik absoluut niet alleen mag laten wegrijden. Iedereen, maar niet hij.

Met mijn actie breng ik telkens de rest van de groep weer mee. Daarna is er weer een ronde gepasseerd en komt die laatste weer een stuk dichter. Ik probeer het zelf ook een paar keer, maar ofwel zit iedereen direct in het wiel ofwel raak ik even alleen voorop. En met die wind is dat absoluut geen sinecure.

In de laatste ronde zijn we nog met een stuk of 20. Ik laat me uitzakken en Koen komt naast mij gereden. ‘Ik hoop dat ik ga uitrijden’, zegt hij. ‘Tuurlijk gaat ge uitrijden. Ga naar voor, blijf daar en ga voor het podium.’ Mijn woorden zijn amper uitgesproken of Koen trekt naar de kop van de groep. Om te demarreren. Godverdomme. Lefgozer.

Koen neemt in zijn slipstream David op sleeptouw. Die neemt vervolgens over en gaat een stuk sneller fietsen. Iets te snel voor Koen. Hij moet passen. Dat het een sprint zou worden, was ik nu al even van overtuigd. Met een late uitval geen rekening meer gehouden. Niemand die het zou volhouden. Of David, ja. David misschien. Shit.

In de groep gaat het nog enkel tussen Bart en mij. De rest doet eigenlijk – met alle respect – niet meer mee. Al is David wel vliegen. Een seconde of tien moet hij hebben. Mede dankzij getreuzel bij ons maar ongetwijfeld ook door een paar sterke benen. ’t Is nog amper twee kilometer. Lichte paniek. Ik ga naast Bart rijden.

‘Kom. Jij en ik.’

‘Nee.’

Bart is koppig. En dus ben ik maar koppig terug. Jij niet: ik ook niet. Ik weet dat wanneer ik me recht zou zetten hij meteen op mijn wiel zou springen. Om dan niet over te nemen. En dus zit er weinig anders op dan gokken. Geweldig gokken. En roepen. Op anderen. Komaan, mannen: rijden! En ze doen het ook.

David is ondertussen bezig aan een straf nummer. Ik voel mijn kansen slinken. Met nog een kilometer te gaan geloof ik er zelfs niet meer in. Harder, mannen! Komaan! Hij valt stil! We gaan ‘m nog pakken! Bullshit, vrees ik, maar het motiveert sommigen wel. Op goed 500 meter van het einde begint de sprint naar de sprint en zet ik me in Bart zijn wiel.

Bart zet zijn sprint van ver aan. In de hoop om David alsnog te pakken. Ik reageer een fractie van een seconde later en zit niet meteen in het wiel. Maar ik ga hard. Heel hard. En toch niet hard genoeg. Ik kom er niet. Bart is gewoon iets sneller dan ik. Dan toch. Ik strand op een fietslengte van Bart en die op zijn beurt in het wiel van David.

En dus ben ik derde. Niet eens tweede. Maar ik kan er mee leven. Met mijn derde plaats verleng ik ook mijn titel, want ik ben de eerste uit mijn categorie. En dus mag ik opnieuw een aantal keer het podium op. Helaas zonder Koen. Twaalfde overall en vierde in onze categorie. Sterk en zonde tegelijk. Dikke kak. Ik denk dat ik er meer mee zit dan hij.

N.

Weg droom

Er moeten serieuze accidenten gebeuren wil ik wereldkampioen worden bij de journalisten. Een ereplaats is realistischer. Door een blessure aan de knie en de vele kilometers die ik daardoor minder kon maken doen mij hopen op een plaats tussen de elf en de vijftien. Al moet ik toegeven: ik droom van een beetje meer.

Het wereldkampioenschap vindt dit jaar plaats in Oudenaarde. En dus ben ik er vijf jaar na Lierde opnieuw bij. Een uitstap naar Oostenrijk of Slovenië had ik financieel gezien voor een regenboog de afgelopen jaren niet over. Maar nu is ’t dus aan België. We staan aan de start met ruim 70 deelnemers uit 16 verschillende landen.

De organisatie brengt ons via een neutralisatie uit het centrum van Oudenaarde richting een ronde van vijftien kilometer die we vijf keer zullen afleggen. Na de officiële start volgt meteen de Volkegemberg, een berg dus, en daarna is ’t dokkeren op de kasseien van de Holleweg. Een regenboog krijg je niet zomaar.

’t Gaat op de Volkegemberg meteen hard. Heel hard. 30 kilometer per uur. En buitenblad, natuurlijk. Afzien. Nu al. Wanneer we bijna boven zijn volgen ook nog eens kasseien. Omdat moeilijker kan. Gelukkig staan er geen dranghekken in het gootje. En de supporters houden ze nog eens vrij ook. Ze staan hier met veel. Ze roepen en toeteren ons vooruit. Precies echt.

Ondanks geen heel slecht gevoel hang ik nu al aan ’t staartje van ’t peloton. Op de Holleweg probeer ik daarom op te schuiven. Het dokkeren gaat mij beter af dan het naar boven rijden. Ik overleef de eerste passage en zal dat ook een tweede keer doen. Maar ik blijf wel realistisch. De deur staat achteraan open en maakt slachtoffers. Ik doe niks meer dan nodig.

Ondertussen zijn er wel twee vogels gaan vliegen. Een Nederlander en een Spanjaard. Hun voorsprong is een seconde of twintig. Ik maak me absoluut niet druk en ben niet van plan om op kop te gaan rijden. Een Duitser probeert mij echter op andere gedachten te brengen en komt naast mij gereden.

‘Waarom rijd jij niet?’

‘Ja… waarom rijd jij niet?’

Alsof het nooit in hem was opgekomen trekt de Duitser naar de kop van de groep en begint hij te sleuren. Hij beperkt de schade en in ronde drie maakt een vijftal op een ander lastig stuk van het parcours de sprong naar de twee leiders. Ik zie het gebeuren en blijf zitten. ’t Knaagt. Ik wil naar voor, maar weet dat ik mezelf zou opblazen.

Ik probeer me neer te leggen bij de situatie: de besten rijden vooraan en wij rijden voor een ereplaats. Precies zoals ik het had verwacht. Weg droom. Ik besef dat ik in theorie nog lang heb meegedaan voor de wereldtitel. Ik zit nu waar ik verwacht had te zitten en eigenlijk dacht ik hier twee ronden geleden al gezeten te hebben.

Met hoeveel ze vooraan precies zijn weet ik niet. Heb niet zitten tellen. En ondertussen zijn ook andere categorieën van start gegaan waardoor het overzicht helemaal weg is. We rijden renners voorbij, maar niemand weet of zij door pech zijn teruggevallen of gewoon gedubbeld. En veel tijd om vragen te stellen langs de kant is er ook niet. Op de Volkegemberg doe ik toch een poging.

‘Hoeveel’, roep ik naar mijn supporters.

Mijn supporters. Klinkt zo raar.

‘Met vijf, zes. Halve minuut’, krijg ik later terug.

Heel gek dat ik er ondanks al het lawaai en in volle inspanning mijn supporters zo uit haal. Mijn ouders, mijn zus Nikki, Joris, Matt, NVDA en Tim rijden met de fiets van hier naar daar om me drie keer per ronde aan te moedigen. Ook supporteren zij voor Kristof, mijn ploegmaat. Hij fietst achter het peloton en zal verdienstelijk 24e worden.

Peloton is trouwens een groot woord. De laatste passage langs het zwaartepunt van het parcours heeft opnieuw slachtoffers gemaakt. We zijn nog met een stuk of twaalf. Samen met een paar anderen probeer ik het tempo er in te houden. Niet echt met de bedoeling om alsnog naar voor te rijden, wel om niemand uit de achtergrond te laten terugkeren.

Mijn beurten zijn bescheiden. Ik geef nooit alles. Er zijn een paar slepers bij die straks ongetwijfeld nog iets uit hun mouw zullen schudden. Misschien is een plaats in de top tien wel mogelijk. Niet gek doen dus. We moeten nog een kilometer of 20. Nog twee keer de Kattenberg naar beneden, nog een keer de Volkegemberg, gevolgd door de Holleweg. Kutweg.

De supporters keren terug naar het centrum om de aankomst op tijd bij te wonen. Op de Volkegem is het daardoor een pak rustiger geworden. Het tempo is ook een stuk lager dan de voorbije passages. Niet onlogisch natuurlijk. Ik zit in tweede positie en hoop dat niemand het in zijn hoofd haalt om sneller te gaan.

22 kilometer per uur gaat het. De drang om naar het binnenblad te schakelen is groot. Bang voor een demarrage blijf ik toch maar groot trappen. Ik smeek dat niemand het doet. En het blijft gelukkig ook stil. Kasseien. Gootje in. Uitloper. En daar gaat er toch weer één. Verdomme. Tand groter. De Holleweg nadert. Nog eens alles geven. Overleeft. Hier moet ik nu nooit meer over.

’t Valt niet meer stil. Het einde is in zicht. Mijn plan? Gaan of spurten? Ben er nog niet helemaal uit. Maar ik begin de inspanningen wel te voelen. Op een stuk vals plat met de wind volledig in het nadeel schieten er krampen in de bovenbenen. Verdomme. Rechtstaan op de trappers lukt nu niet meer.

Blijven zitten en zo hard mogelijk gaan. Niet lossen. Eén meter. Twee. Verdomme. Iets sneller, Niels. Bijna boven. Kruispunt voorbij. Richting Kattenberg nu. Weliswaar naar beneden. We draaien op. Ik zit in laatste positie. Opschuiven en proberen een beetje te herstellen. Tegen meer dan 70 kilometer per uur. Absurd. Beneden. ’t Valt stil. Aanvallen?

Ik ga. Mijn moment. Tegen beter weten in. De pijn in de benen proberen te negeren en hopen dat ze achter mij naar elkaar kijken. Alstublieft! Maar het slaat tegen. Mijn actie is van korte duur. De benen protesteren en een Nederlander fietst de kloof weer dicht. Ik probeer het kort daarna nog een keer met een wanhoopspoging. Een echte versnelling zit er niet meer in.

We rijden het parcours af richting het centrum van Oudenaarde. Nog drie kilometer. De ene aanval volgt de andere op. Meer dan volgen kan ik niet meer. Ik probeer in een goede positie toch aan de spurt te beginnen, maar de krampen schieten er tot achter de oren in. Tot spurten kom ik niet meer.

Uiteindelijk bol ik als veertiende over de streep. Op amper vijftien seconden van de winnaar. Ofwel hebben ze vooraan geweldig naar elkaar gekeken ofwel heb ik mezelf geweldig onderschat. Ik denk er liever niet over na. Ik ben blij en mag weer een jaar gaan dromen. Hoewel: ’t is straks aan Griekenland.

N.

Oké, we gaan sprinten

Ik vertrek. Solo naar de streep. Kicken. Of doe misschien toch maar een sprint. Met twee. Dan moet de kick nog groter zijn. Winnen in een sprint. Maar dan niet tweede worden. Mijn medevluchter mag niet sneller zijn dan ik. Maar ook niet veel trager. Dat ik met een wiel voor win en net genoeg tijd heb om de armen te strekken. Zoiets?

Of mijn droom-sinds-drie-dagen realistisch is weet ik niet. Ik heb geen idee waar ik me straks aan moet verwachten. Met hoeveel we zullen zijn. En hoe goed de anderen zullen zijn. Ik hoop dat er genoeg concurrentie is, maar niet dat ze beter zijn dan ik. Of toch niet veel beter. Verslaanbaar. Dat ik een kans maak om te winnen. Dat zou toch moeten.

Uiteindelijk staan we met een stuk of veertig aan de start voor wat het eerste kampioenschap van Lebbeke moet worden. Enkel voor mensen uit Lebbeke of mensen die zijn aangesloten bij een wielerclub uit de gemeente. We zijn ingedeeld in leeftijdscategorieën, maar starten allemaal samen. Ik heb er geweldig veel zin in.

De wedstrijd bestaat uit zeven ronden van zeven en een halve kilometer. Iets meer dan vijftig kilometer dus. De eerste twee ronden moeten we achter de wagen afwerken. Voor degenen die geen ervaring hebben met koersen. En dat zijn er volgens mij toch heel wat, moet ik toegeven. Maar ik zou al snel terugkomen op die gedachte.

Na die twee ronden achter de wagen (die ik maar een heel klein beetje vervelend vind) mogen we echt vertrekken. En ik wil er niet te lang mee wachten. Mijn tactiek is simpel: zo veel mogelijk renners kwijtspelen en snelle mannen afmatten. In mijn hoofd ga ik de laatste ronde in met een stuk of vijf renners. Maar dan moet ik er nu wel aan beginnen.

En dus plaats ik vrijwel onmiddellijk na de officiële start mijn eerste van vele demarrages. Bam. Tegen de wind in. Naar 50 kilometer per uur en meer. Het peloton meteen in twee gebroken. Dat moet. Ik kijk om. Geen schade. Er volgt ook een tweede en derde prik. Omkijken. Nog altijd niks. Getrainde toeristen. Verdomme. Hoe ga ik dit oplossen?

Gelukkig vallen er een ronde later toch slachtoffers. Ik blijf demarreren. Samen met een andere renner probeer ik het tempo zo hoog mogelijk te houden. Ik probeer mijn collega-klootzak wijs te maken om niet op mij te reageren wanneer ik in de aanval ga. Dat hij iemand anders de kloof laat dichten. En andersom ook, natuurlijk. Maar ‘t pakt niet. En dus spelen we kat en muis.

De ronden volgen elkaar op en ondertussen krijg ik een idee wie ik in de gaten moet houden. Door de hevige wind is alleen wegrijden moeilijk. Maar wachten op een groepssprint is voor mij ook niet echt een optie. Ik ben niet traag, maar sommige van de types waar ik tussen fiets zien er verdomd rap uit. Ik heb nog werk.

Na zes ronden gaat de bel voor de laatste ronde. Nog zeven en een halve kilometer om iets uit mijn mouw te schudden. We zijn nog met een stuk of twintig. Ik rijd al de hele wedstrijd in de top vijf, maar laat me nu wel eens uitzakken. Eens kijken wie er nog meedoet en welke gezichten op half zeven staan. Heerlijk: weten dat je een van de beteren bent.

En toch ben ik lang niet zege zeker. Ik beslis om nog één keer te demarreren. Wachten op mijn sprint en dan zesde worden? Dan liever nog eens mijn kaarten op tafel gooien, gokken en hopen op getwijfel in het peloton, winnen of geweldig overruled worden. Ik zet mij op vier kilometer van de streep recht en ga volledig à bloc tot ik zwart zie.

Ik trek een halve kilometer hard door en kijk achterom. Eén iemand in mijn wiel en het peloton op een kleine achterstand. Ik roep om hulp. Neem over! Hij weigert. Kan niet sneller. En nu? Hem meenemen? Het risico lopen dat hij mij hier liggen heeft en mij straks makkelijk klopt? Ons weer laten inlopen, een cartouche kwijt zijn, en toch maar sprinten?

De benen beslissen. Heel veel sneller kan ik niet meer. Een voorsprong van een paar seconden verdedigen tot de streep, ondertussen maar een kleine drie kilometer verderop meer: gaat niet lukken. En dus probeer ik dan toch snel de knop om te draaien: oké, we gaan sprinten. Proberen nog wat te recupereren en me vooraan handhaven.

Het laatste lukt in eerste instantie niet. Ik laat me een beetje wegdrummen en heb een paar armbewegingen nodig om mijn plaats op te eisen. Gelukkig zijn we maar met een kleine groep meer. De aanloop naar de sprint verloopt chaotisch. Niemand van ons is deze situatie gewend. Ook ik niet echt. Het gaat hard en steeds van links naar rechts. Een van de twee lokale ploegen probeert een treintje op te zetten.

’t Is helemaal niet hetzelfde als op tv. Het treintje houdt niet lang stand. We hebben ook geen borden aan de kant van de weg die ons vertellen hoeveel honderden meters nog volgen. ’t Is gokken. Hopen dat je op het juiste moment aan zet. Ik zit aan de rechter kant en zie helemaal links plots iemand geweldig hard vertrekken. Ik doe een fractie van een seconde later hetzelfde.

Ik geef alles. ’t Is nog zeker driehonderd meter. Ik voel mezelf langzaam naderen en voel ook dat ik de rest op achterstand sprint. Tweede?! Nee, ik wil ‘m nog pakken. Ik wil winnen. Dit is mijn kans. Mijn droom-sinds-drie-dagen. 60 kilometer per uur. Ik nader, maar niet snel genoeg. De eerste steekt zijn handen op. ’t Is niet waar, hé? Ik blijf sprinten. En smeek dat de streep plots een paar meter verder ligt dan de ronden hiervoor. Gewoon, zomaar.

Niet dus. Ik bol als tweede over de streep en er volgt een geweldig luide f*ck. En een tweede. En een derde ook. Wat was ik er kort bij. Eigenlijk niet meer verwacht na mijn demarrage in de laatste ronde. En ik krijg ondertussen de ene felicitatie na de andere. Begrijp niet goed waarom. Ik ben toch maar tweede?

’t Is pas wanneer ik mijn ouders zie dat ik begrijp waarom. Ik ben eerste van mijn categorie. Eigenlijk geen seconde bij stilgestaan in koers. De winnaar is boven de 35 jaar en dus win ik een heel klein beetje. ’t Interesseert mij in eerste instantie maar weinig. Ik wil als eerste over de streep rijden met de handen in de lucht. Daar doe je het toch voor?

De organisatie roept me later twee keer het podium op. Ik sta er een beetje onwennig. En een beetje tegen mijn zin. Ik krijg een trofee. En bij mijn tweede passage volgt ook een medaille. En bloemen. En een trui, want ik ben kampioen. Er kan een lach af, maar haal me hier toch maar zo snel mogelijk af. En zeggen dat ik het tegelijk ook graag gewoon zou worden.

N.

Hopelijk telt Tom straks niet

‘Maak voor mij maar spaghetti.’ Misschien win ik daar morgen wel een plaats mee. Wat extra koolhydraten. Niet dat ik me specifiek heb voorbereid op een tijdrit van twintig kilometer met de mountainbike. Ja, ben er vrijdag wel eens mee gaan trainen. Maar meer om te zien of het ding het nog deed. En hij deed het. Daar kan ik het straks dus niet op steken.

Bij aankomst in Hofstade – waar ploegmaat Tom en ik deelnemen aan een duo-duatlon, dit zal ik er maar bij vertellen – vertrek ik meteen op verkenning. Een halfuur later arriveer ik weer bij de wagen, waar onze pa samen met ploegmaat Niels (die we door een voor de hand liggende reden eigenlijk altijd bij zijn familienaam noemen) me opwachten. Ik kan mijn teleurstelling moeilijk wegsteken. ‘Verwacht maar niet te veel, het gaat niks worden’, ben ik heel duidelijk. ‘Maar vertel het niet aan Tom.’

Tom is nog bezig aan zijn verkenning en komt later toe. Dat het een lastig parcours is, vertel ik hem. En dat ik het wel zie zitten. Maar het liefst loop ik zo ver mogelijk weg. Er is veel zand en nog meer modder. De regen van deze week heeft het parcours serieus beïnvloed. En de wind maakt het ons niet makkelijker. Ik vraag me af waarom ik dit zo leuk vind.

Om 11u staan alle duo’s aan de start. We zijn met 115. Tom start heel goed en loopt hard. Na drie kilometer bereikt hij de wisselzone maar door wat geklungel van ons beiden spring ik pas als 18e de mountainbike op. De koers ligt nog helemaal open en de verschillen zijn beperkt. Met de huidige conditie kan ik alleen de schade beperken, weet ik, en dus laat ik niet zomaar iemand voor.

Na een kilometer volgt al een bochtige singletrack. Iets waar inhalen moeilijk en soms onmogelijk is. Dacht ik. Sommigen halen grote manoeuvres uit om een plaats te winnen. Ik heb snel door dat het nog moeilijker gaat worden dan ik dacht. Zeker wanneer ik het bos indraai. Een modderpoel van drie en een halve kilometer. Stoempen. Ik ga zo hard ik kan maar word langs links en rechts voorbij gestoken. Hopelijk telt Tom straks niet.

Bij de eerste passage op het strand valt me op dat de wind is gekeerd. Het enige stuk waar ik een beetje naar uit keek heeft zich tegen mij geweerd. Geen moment recuperatie. Ter hoogte van de wisselzone besef ik dat ik nog twee keer moet. De drang om op te geven spookt gedurende de tweede ronde vaak door m’n hoofd. Hartslag 175. Lager gaat ‘m niet. Hier is niks leuk aan. Maar ’t heeft ons wel bijna veertig euro gekost.

En dus ploeter ik langzaam verder door de modder. Ik zie er niet uit. Hopelijk krijgt ons ma m’n kleren nog proper. Ik krijg ook pijn in de rug. Is dit wat Bart Wellens voelt? Ik strek de rug een paar keer. Ondertussen passeren er weer twee. Ben de tel al kwijt. De aanmoedigingen van onze pa, Niels en Dieter, een andere ploegmaat die is komen supporteren, helpen een stuk verderop wel. Kan weer een hartslag hoger gaan. Maar die momenten duren nooit lang genoeg.

Tom heeft zich bij het stuk losse zand gezet. Besef ik maar half. Ik hoor iemand naast me lopen terwijl ik door het zand probeer te rijden. Maar het tempo zakt. Ik geraak vast en spring van de fiets. Er blijft iemand naast me brullen. Is nog steeds Tom, denk ik. Ik zit kapot. Bij het afspringen verlies ik m’n evenwicht en door de vermoeidheid maak ik een knieval. Verdomme. Ook dit nog. Ik ben hier niet graag.

En toch krijg ik moed. ‘De laatste ronde’, hoor ik aan de wisselzone. ‘Vijftien seconden’, roepen ze me ook toe. ‘Ge kunt er nog twee pakken.’ In het stuk singletrack haal ik ondanks mijn slechte bochtentechniek toch een concurrent in. De volgende zie ik in de verte rijden, maar hoe hard ik ook mijn best doe: ik zal ‘m niet meer inhalen.

In de laatste kilometer neem ik geen risico meer. Of wil ik niet het risico nemen om opnieuw dezelfde fout te maken in het bijzijn van toeschouwers. Geen knieval. Ik loop zo hard als ik kan door het losse zand, spring op de fiets en probeer er tot aan de wissel nog een laatste spurt uit te trekken. Het wordt ook gewaardeerd. ‘Niels van Team WVcycling perst er alles uit’, klinkt het door de luidsprekers. Was het maar voor een mooie ereplaats.

De wissel met Tom loopt opnieuw niet perfect, maar iedereen ligt wel op z’n plaats. Denk ik. Maar Tom loopt opnieuw heel goed en haalt alsnog twee man in. Goed voor een 25e plaats op 115 deelnemers. Had ik eerlijk gezegd niet meer verwacht. Ondanks alle ellende gaf het een leuk gevoel om een team te vormen met één van m’n beste kameraden. Maar of onze vriendschap groot genoeg is om volgend jaar opnieuw deel te nemen: ik weet het nog niet.

Verdomme. Kramp.

Gefrustreerd was ik. En boos. Op mezelf. Ben veertigste geworden, of zo. Mijn slechtste uitslag van het seizoen. De goede vlucht op een haar na gemist. Ik wist dat het zou gebeuren en laat me toch insluiten. In een poging om de meubelen te redden krijg ik te weinig hulp. Een peloton van zestig man rijdt voor de tiende plaats. Godverdomme. Sukkelaars.

De volgende wedstrijd zou ik op alles reageren wat bewoog, beloofde ik mezelf. Het rondje van 4,7 kilometer met een lastige knik, waar we twaalf keer over moeten, in de straten van Meilegem – ergens tussen Oudenaarde en Zottegem – was daar dan ook het ideale parcours voor. Op mijn maat. Het Kampioenschap van de Vlaamse Ardennen. En of ik er zin in heb.

Ik doe wat ik me heb vooropgesteld en spring bij elk mogelijke ontsnapping mee. Degenen die solo gaan laat ik vertrekken, want heel ver komen die toch niet. ’t Is vermoeiend koersen, maar ik wil straks niet weer de goede boot hebben gemist. Elke ronde opnieuw herhaalt zich hetzelfde tafereel: op de korte maar lastige knik volgt een versnelling. En ik ben mee.

Maar niemand raakt weg. En de inspanningen beginnen zich halfweg koers stilaan op te stapelen. Alleen op frustratie red je het niet. Ik gooi een extra gelleke naar binnen en probeer zo vaak mogelijk te drinken. ’t Is dan ook bijna dertig graden. We naderen snel opnieuw de knik en het is verdacht stil in het peloton. Ben blijkbaar niet de enige die moe aan het worden is.

Bij het opdraaien van de steenweg, zo’n vijfhonderdmeter voor onze Mont Ventoux, is ’t weer van dat. Binnenkant bocht versnelt een van de beteren uit onze toeristencategorie. Ik reageer, maar moet extra meters maken omdat ik aan de verkeerde kant zit. Er is een kleine kloof en ik besef dat die zo snel mogelijk dicht moet. Maar de aanvaller wacht niet.

Ik blijf een ronde lang op goed honderd meter hangen en kom pas aan de voet van de volgende passage aansluiten. Nog eens vier andere gasten doen hetzelfde. We zijn weg met zes. Hoe groot onze voorsprong is weet ik niet precies. Door de opeenvolging van bochten is het moeilijk om in te schatten. Bovendien is er niet veel tijd om achteruit te kijken. Het gat moet worden uitgediept, pas daarna is er tijd om te pokeren.

De eerste ronde verloopt de samenwerking goed. Iedereen lost elkaar prima af. Pas op goed drie ronden van het einde slaan er voor het eerst een paar hun beurt over. Ik probeer hen op andere gedachten te brengen. ‘We hebben tien seconden’, roep ik een paar keer. Onzin, natuurlijk, denk ik, maar misschien gaan ze daardoor na mijn beurt toch weer overnemen. En ’t mist zijn effect niet.

Het begint in mijn hoofd te spelen dat ik in een situatie zit waarin ik nooit eerder heb gezeten. Hoe moet ik hier straks winnen? Het afmaken in de sprint? Aanvallen op de knik? Mag ik überhaupt als eerste aanvallen? Die mannen zijn toch steeds gedoemd om te verliezen, zeggen ze altijd op tv? Mijn laatste vraag doet er al snel niet meer toe. De eerste aanval is een feit. En ik zat weer te slapen.

Ik ga de laatste ronde in met een kleine achterstand. Ik ben de enige van de zes die heeft moeten afhaken. Heb ik te veel gegeven in de ontsnapping? Of misschien in het begin van de koers? Ik blijf zo snel mogelijk fietsen ondanks de pijn. Wil straks niet overvallen worden door het peloton. Zesde is aanvaardbaar, hoewel die vijf man voor mij weer iets groter worden. Het valt er stil en ik kom bij het opdraaien van de steenweg toch weer terug.

Wachten heeft geen zin en dus houd ik mijn snelheid aan en zet ik door. Mijn enige kans om te winnen. Ik voel ze twijfelen en probeer op de laatste knik al rechtstaand een laatste keer door te trekken. Verdomme. Kramp. Moet weer gaan zitten. Heb goed vijftig meter, hoop ik. Durf niet achterom te kijken. Het zal toch geen waar zijn? Ik droom heel even. Een paar seconden. En zie er dan plots toch weer vier passeren aan de andere kant van de weg. Bam. Game over. Dan toch.

Uiteindelijk bol ik als vijfde over de streep. En daar kan ik mee leven. Het beste resultaat van het seizoen. Misschien had ik die ambetante ervaring in Beveren van een paar dagen geleden wel nodig?

N.

Driekleur

Ik heb maar één doel: het wiel van nummer 71 volgen en passeren. Dan ben ik kampioen. Denk ik. Ik heb mijn huiswerk wel gemaakt en weet dat 71 een grote kanshebber is op de Belgische driekleur die klaar ligt voor de winnaar. Die mag zich een jaar lang, tenzij een nieuwe onderbreking, de beste fietsende persmens noemen.

Gekeken naar het niveau van mijn wedstrijden is dit de belangrijkste uit de reeks. Alleen vanwege die trui. Dat de mensen zullen omkijken en zich afvragen of ik die trui wel waard ben zal ik er wel bijnemen. Maar dan moet ik wel eerst over die streep zien te geraken. Plaats van afspraak: het autocircuit van Heusden-Zolder.

Het parcours is vier kilometer lang en bolt over mooie brede wegen. Met veel geluk zal ik de remgrepen amper moeten aanraken, maar ik weet wel beter. Door de magere opkomst van persmensen (we zijn met twintig) rijden we overigens samen met de medici en kinesisten. Goed voor een groep van een man of zeventig.

De tactiek heb ik al een beetje verraden: geen trap teveel geven. Het parcours leent zich niet voor een solo. Ik zet alles op mijn sprint. Bij de start weet ik dan ook al dat het een heel saaie wedstrijd zal worden. Ik demarreer al eens graag. Maar de vrienden hebben het er deze week goed ingepropt: blijven zitten en niks doen. Ik gehoorzaam.

Of toch tot halfkoers. Toeval of niet – waarschijnlijk niet – zit ik achter nummer 71. Hij demarreert. Ik twijfel, maar ga toch mee. We hebben snel twintig meter. Hij vraagt om over te nemen. Doe ik. Maar op het moment dat hij mijn rugnummer ziet (waaraan we de categorieën van elkaar kunnen onderscheiden) houdt hij de benen weer stil.

Heb ik mij laten vangen? Ik moet een ronde op adem komen. Die halve kilometer reden we aan 60 kilometer per uur. Een goede reden om terug een brede rug op te zoeken. Maar het had nooit zo ver mogen komen. Eén cartouche kwijt. Als ik straks met een centimeter verlies vergeef ik mij mijn nutteloze reactie nooit.

Net als alle andere renners zou nummer 71 nooit zijn weggeraakt. Besef ik pas wanneer de hartslag weer gezakt is. Ik keer terug naar de vooropgestelde tactiek en volg het peloton. Ik probeer de tijd te doden door te drinken, een gelleke naar binnen te spelen en de ronden af te tellen. Na dik anderhalf uur gaat de bel.

Het tempo gaat de hoogte in. Ik blijf in het wiel van mijn favoriet en ben klaar om te sprinten. Maar dat is buiten nummer 72 gerekend: die is weer gaan aanvallen. Ik raak niet in paniek. Kan toch niets doen uit positie vijftien. Die 72 zal wel terugzakken. Net zoals bij zijn tien eerdere pogingen.

Op het steil knikje loopt het met mij helaas mis. Ik krijg een flinke duw en kom in het gras terecht. Ik verlies tien plaatsen en het wiel van de man die me een groot deel van de wedstrijd onbewust uit de wind heeft gezet. In een poging om snel mijn plaats weer in te nemen gaan een groot deel van mijn krachten verloren. Ik draai de laatste bocht in als vijftiende.

Ik begin te sprinten maar krijg mijn 52×12 niet snel genoeg meer rond. Ik besef dat de trui niet voor mij is. Ik sprint door en passeer als twaalfde de streep. Dan is het tellen. En vloeken. Nummer 72 bleef buiten schot en pakt verdiend de driekleur. Nummer 71 werd tweede en ook eentje van Sporza bleef mij voor. Dikke kak. Vierde.

Hoe relatief deze of eender welke koers ook is: ik had daar graag op het podium gestaan. Maar gezien van waar ik kom (anderhalf jaar niet aan competitie kunnen doen door een virus) moet ik tevreden zijn. En toch ben ik dat niet. Nog niet. Misschien morgen wel. Of de dag daarna.