Milaan-Sanremo

Milaan-Sanremo

Ik ben helemaal alleen op de Poggio. Matt en Van der Aa achtergelaten aan de voet. Genieten. Maar niet lang. Halverwege komt Matt weer piepen. Shit. Terug op de trappers. Koersen. Die paar mensen langs de kant geloven het bijna niet. Ze roepen. Moedigen ons aan. Of schelden ons uit. Mijn Italiaans is niet goed.

Milaan-Sanremo staat al enkele jaren op mijn to-dolijstje. De lange afstand tot Milaan hield mij lang tegen. Maar afgelopen winter schreef ik mij dan toch in, samen met mijn vrienden. Het is lang wachten op bevestiging uit Italië, maar enkele weken voor het evenement krijgen we dan toch een antwoord: we zijn welkom.

De weg naar Italië is soms moeilijk. Sanremo moet het hoogtepunt van mijn seizoen worden, en dus wil er zo goed mogelijk zijn. En toch ga ik vaker dan andere jaren met veel tegenzin trainen. De Schleck Gran Fondo, drie weken voor de cyclo, geeft mij gelukkig wel een boost: ik ben goed. Hopelijk ben ik dat straks ook op de Poggio. Ik wil er niet naar boven kruipen.

Vertrekken doen we op vrijdagnacht. Matt rijdt tot Frankrijk, ik tot Zwitserland en mijn pa tot ons hotel in Milaan. We zitten met ons vieren, want ook Van der Aa is er bij, iets meer dan veertien uur in de auto. Vermoeiend. Gelukkig is de tocht pas zondag. Al gunnen we ons op zaterdag weinig recuperatie. We kruipen de stad in. Te voet, want de metro begeeft het.

De nacht van zaterdag op zondag is kort. Opstaan doen we om half vijf, om een halfuur later al aan te schuiven aan het buffet. ’t Is druk. We zijn met een kleine 1.000, en dat allemaal in hetzelfde hotel. Logisch, want de start is hier buiten. Na het ontbijt pakken we in. Als het goed is, slapen we vanavond ergens in Frankrijk. Of hangen we ergens tussen onze kader.

Om 6.45u worden we verwacht aan de start. Een opdracht, want iedereen wil op hetzelfde moment met de lift naar beneden. En met fiets is dat één persoon per lift. Wij zitten op het achtste en maken op elke verdieping een ongewilde stop. Matt zal zelfs alle verdiepingen een paar keer zien en pas na tien slopende minuten het gelijkvloers bereiken.

In afwachting van Matt gaan Van der Aa en ik ondertussen met verschillende Chinese toeristen op de foto. Nieuw voor ons. Eens verlost, trekken we naar de start. En daar is het wachten tot 7.20u. Starten doen we in pelotons van 200. De afgelopen jaren waren er te veel ongevallen tijdens de Gran Fondo en dus maakt de organisatie dit jaar geen uitslag op.

De eerste drie uur van de tocht zijn saai. We rijden aan een gemiddelde snelheid van iets meer dan 37 kilometer per uur, en dat op slechte wegen. Het is voortdurend opletten voor putten. En het zijn er veel. We tellen af naar kilometer 125. Daar ligt de eerste officiële bevoorrading. Voor een onofficiële zorgde onze pa al eens onderweg.

De bevoorrading ligt aan de voet van de Passo del Turchino. We zitten met ons drieën goed vooraan, maar weten niet zeker of we zullen stoppen. Wat doet de groep. Stoppen? Doorrijden? Van der Aa en ik zitten een tiental plaatsen achter Matt en laten de beslissing of we al dan niet voet aan de grond zetten, aan hem over. En? Wat doet ‘m? Stop ‘m? ‘m Stopt.

’t Is oorlog. Iedereen wil water en koeken. En zo snel mogelijk. De arme mensen aan de andere kant van de tafel kunnen niet volgen. Gelukkig reden we goed vooraan en zijn we daardoor al snel weer weg. Matts idee. Van een groep is bij ons vertrek helaas geen sprake meer. We staan er op de Turchino alleen voor.

Het duurt even, maar na een paar kilometer klimmen, halen we weer een paar renners in. En zo vormen we al snel weer een groep van een man of tien. Toch heeft niet iedereen zin om te werken. Ook Van der Aa weigert. ’t Is nog ver, zegt hij. Gelijk heeft ‘m, maar als we straks allemaal gaan freewheelen, kunnen we beter stoppen. Hij zal later plooien.

De laatste kilometers van de Turchino zijn nog behoorlijk steil. Matt rijdt er weg en zien we pas in de afdaling weer terug. Daarna draaien we de kustlijn van de Middellandse Zee op. Een prachtig zicht, en dat voor de resterende 140 kilometer. De wind speelt in ons nadeel, maar omdat de temperatuur ondertussen ook al naar 34 graden is gestegen, is dat niet erg.

In Savona, een dertigtal kilometer verderop, hebben we afgesproken met onze pa voor een nieuwe stop. En maar goed ook. Ik zit al sinds de Turchino zonder water. Ik was al een paar keer gaan bedelen bij Matt, wiens bidons nu ook al een tijdje leeg zijn. We vullen bij en grabbelen nog zo veel mogelijk gels en repen mee. ’t Is nog 110 kilometer tot Sanremo.

De volgende 60 kilometer heb ik het verdomd lastig. Het vloeibare voedsel wreekt zich in combinatie met de hoge temperaturen. Kotsneigingen. En Matt ook. Van der Aa is ondertussen wel wakker geworden en rijdt zonder omkijken op kop. Alleen: iets te snel. De teller gaat niet onder de 35 kilometer per uur.

‘Ik neem niet over aan deze snelheid’, roep ik ‘m toe. En dus sla ik een paar beurten over. Ik kan ook even niet. Wanneer het dan toch aan mij is, laat ik het tempo subtiel zakken. Tot hij weer aan de beurt is. Het lijkt alsof hij nog geen trap heeft gegeven. Misschien is dat ook wel zo. Tot we de Capo Mele opdraaien.

Plots staat Van der Aa volledig stil. Het verhaal van de man en zijn hamer. Op de top ligt een nieuwe bevoorrading. Kunnen we nog heel even op adem komen. De kotsneigingen trekken weg. En maar goed ook, want ’t is nog 50 kilometer. De Capo Berta, de Cipressa en de Poggio zijn nog de enige obstakels. Heel veel zin in, ondanks opkomende pijn in de benen.

’t Is opletten. Niet alleen qua doseren, maar ook op het verkeer. ’t Begint steeds gevaarlijker te worden. In Italië betekent een rood licht dat je mag doorrijden, indien je denkt dat je toch sneller bent dan degenen die van links of rechts komen. En inhalen in blinde bochten is ook geen probleem. Geen wonder dat de organisatie de wedstrijd geschrapt heeft.

We blijven met ons drie achter elkaar fietsen. Soms met een ei in de broek. We zien gekke dingen. Straks heelhuids over de streep rijden, is het doel. Maar eerst nog over die hellingen. De Capo Berta is een opwarmer voor de Cipressa, en doet pijn. Matt rijdt weer weg. Een helling verder begint Milaan-Sanremo pas echt. Vanaf daar zet ik thuis de televisie op.

Van der Aa lost al snel en kan niet anders dan zijn eigen tempo te kiezen. Ondertussen zitten de krampen al tot achter zijn oren. De Cipressa is ook voor hem helaas zes kilometer lang. Ik zet me in Matt zijn wiel en probeer te volgen. Gaat makkelijker dan gedacht. Hij is nochtans de betere klimmer. Misschien spaart hij zich wel om te springen op de Poggio?

Maar onderweg daar naartoe, voel ik dat ook Matt zijn benen stilaan leeglopen. Matt neemt nog wel over, maar met moeite. Misschien beschik ik dus nog wel over de beste benen. Van der Aa ziet af. Samen naar boven rijden is geen optie meer. Wil ik ook niet. Ik wil zo hard mogelijk gaan. Daar heb ik vaak met tegenzin voor getraind.

Kilometer 288. Het is zo ver. We draaien rechts af. De Poggio. Een verwaarloosbare knik van vier kilometer, met een hoogteverschil van, ocharme, 150 meter. Maar na die afstand toch wel zwaar. Van der Aa parkeert. En ook Matt moet passen. Ik geloof het eerst niet. Kijk een paar keer om. Heb de neiging om te wachten, maar wacht niet.

Ik versnel. Ben helemaal alleen op de Poggio. Geweldig. Ik bezorg verschillende andere deelnemers een verkoudheid. En het spijt mij niet. Ik fiets op euforie naar boven. De pijn vergeten. Tot ik halverwege omkijk. Shit. Matt. Hoe kan dat? Tand groter schakelen. En opnieuw versnellen. Spurten. Hem niet laten terugkomen.

Ons duel duurt een dikke kilometer. Maar ik verlies. In de hoop om straks nog eens te gaan, laat ik Matt terugkeren. Had hij anders misschien ook wel gedaan. Maar eens Matt de aansluiting gevonden heeft, is het enkel door adem tekort dat we niet in de lach schieten. De gezichten van die mensen net gezien? Ze geloofden ons bijna niet.

Bang om met een geweldige kater naar huis te gaan, blijven Matt en ik allebei zitten. Samen naar boven. Elkaar goed in het oog houdend. Hij zou maar moeten durven. Maar hij durft niet. Of kan niet meer. Ik zit nochtans klaar. Maar er gebeurt niks. Is dat de ultieme bocht naar links? Dat is ‘m. We zijn boven. Samen. ’t Is goed zo. Hey, we gaan het echt doen, hé?

Boven wachten we op Van der Aa. Daarna is het in dalende lijn richting naar wat voor ons de Via Roma moet zijn. De Via Roma zelf is te druk. Niet haalbaar. Eens beneden volgt een bord met het cijfer één. De laatste kilometer. Als het goed is, komen we dan uit op 295 kilometer. Maar zin om er nog vijf bij te doen, hebben we niet meer. 295 is ook goed.

Nog 250 meter. Niet naar links, waar de profs afdraaien, wel rechtdoor. Er staat een blauwe boog en er wachten tientallen supporters. Geen Chinezen hier. Wel onze pa. We gaan met z’n drieën naast elkaar rijden en laten ons bollen. Geweldig gevoel. We hebben net Milaan-Sanremo gereden! We krijgen applaus. Hebben we verdiend.

Uiteindelijk zitten Matt, Van der Aa en ik net geen negen uur op de fiets. Goed voor een gemiddelde snelheid van 33 kilometer per uur. We krijgen nog een medaille, bellen nog eens naar het thuisfront en kruipen dan in de wagen. Er wacht nog een verplaatsing van 200 kilometer naar Aix-en-Provence. En morgen een dikke 1.000 richting België.

Milaan-Sanremo stond al jaren op mijn to-dolijstje. Het was de laatste voorjaarsklassieker die nog ontbrak. Ik mag ‘m nu schrappen. Wat de volgende uitdaging moet worden, weet ik nog niet. Mijn seizoen zit erop en fietsen zal ik nu doen wanneer ik er zin in heb. Maar eens in december zal er toch weer iets gaan kriebelen.

N.

Ronde van Vlaanderen 2017

Schouderklop. De beer passeert.

Oude Kwaremont. Bijna 230 kilometer op de teller. De benen waren 30 kilometer geleden al op, maar de cafeïne geeft me een boost. Kimpe moedigt ons aan. Verdomme, die kan zelfs nog praten. Het gaat nochtans relatief snel. De familie staat op het plein. Geweldig. Nog een beetje versnellen. Daarna passeert Kimpe. Superbenen heeft hij. Nu al vier weken.

Wanneer Kimpe en Van der Aa zich in november inschrijven voor de Ronde van Vlaanderen kan ik moeilijk achterblijven. Ik kan het mij niet voorstellen niet mee te rijden. Het is hun laatste keer, zeggen ze. Heb ik ook al een paar keer gezegd. En ik zal het maar niet opnieuw doen. Straks in november kriebelt het mogelijk toch weer.

Een week geleden stond ik met weinig zin al vroeg op voor Gent-Wevelgem. 220 kilometer vechten tegen de wind. Gent-Wevelgem is geen makkelijke koers. Niet meer sinds vorig jaar, toen ik ‘m voor het eerst reed. Ik ben blij als ik er vanaf ben. De Ronde moet het vierluik aan tochten voorlopig afsluiten. In juni volgt nog Milaan-Sanremo. Het hoogtepunt dit seizoen.

De Ronde start sinds dit jaar in Antwerpen. Een stuk dichter dan Brugge. Ik kan een klein halfuur langer slapen. Luxe. De ochtend begint weliswaar slechter dan verwacht. De fietsendrager begeeft het en we moeten snel op zoek naar een andere manier om met z’n allen in Antwerpen te geraken. Matt is redder in nood.

Het is half acht wanneer we toekomen in Antwerpen. We haasten ons richting start, waar alles heel verwarrend en chaotisch verloopt. Het begint al bij de Grote Markt. Aanschuiven. Doen we niet. Op die 100 meter komt het niet aan. De Grote Markt hebben we allemaal wel al eens gezien. Direct richting Waaslandtunnel. Vandaag ook voor fietsers.

Maar ook daar is het aanschuiven. Uiteindelijk is het al acht uur wanneer we echt zijn vertrokken. Een uur later dan voorzien. Soit. Door de tunnel. En eens eruit, begint het geweldig hard te regenen. Gaat het zo’n dag worden? Het zal twee uur lang heel hard blijven regenen. Nog voor de eerste bevoorrading, na 42 kilometer, zit de koude er al goed in.

De bevoorrading in Zele is, net als de start in Antwerpen, chaotisch. En heel druk. We kunnen er onze blaas leegmaken, maar een energiereep meenemen lukt dan weer niet. Gelukkig passeren we straks in Berlare bij onze redder van vanmorgen. Matt en zijn familie stoppen ons wat koeken toe en we kunnen weer verder.

Het gaat op voor ons bekende banen – door de start in Antwerpen rijden we richting Vlaamse Ardennen door onze eigen streek – richting Herzele. De tweede bevoorrading. Het is gestopt met regenen en aan de auto van papa en Nikki (die natuurlijk niet ontbreken) kunnen we nieuwe kleren aantrekken. Filip, de vader van Kimpe, is er ook bij.

Net voor de grens van de 100 kilometer ligt de Paddestraat. Kimpe test er voor het eerst zijn goede benen. Daarna volgt al snel – veel te snel – een nieuwe bevoorrading. De Haaghoek is het volgende obstakel en ook daar trekken we even door. Ik verlies er een bidon. Vervolgens gaat het via de Leberg, Berendries en Tenbosse richting de Muur.

Het gaat in dalende lijn richting Geraardsbergen. Kimpe doet kop. Doet hij eigenlijk al vier weken. In de Omloop van Vlaanderen was hij goed, in de Ename Classic was hij nog beter en vorige week in Gent-Wevelgem was ik blij dat hij de avond voordien op café was geweest. Ik had ‘m op de Kemmel.

Op de Vesten is het al heel druk. Hoe lossen we dit op? Gaan we tussen de massa deelnemers naar de Muur en hopen we op een beetje vrije baan, of laten we wat speling? Het gesprek speelt zich vooral af tussen Van der Aa en mezelf. Kimpe zit al in zijn cocon. We volgen maar en kiezen voor het eerste. Kimpe zal wel plaats maken.

En zo gebeurt het ook. We hebben 140 kilometer in de benen, maar zo voelt het nog niet. Ook dat mijn familie (mijn vriendin, mijn ouders, mijn zussen en mijn neefje) ons op de Muur opwachten helpt. Ik zie ze staan, net voor de ultieme bocht naar links. Geweldig, hun steun in mijn absurde ambitie om dit ding hier te fietsen.

Na de Muur stoppen we nog eens bij de auto en spelen we nog wat kleren uit. De zon komt af en toe tevoorschijn en het gaat richting 15 graden. We gaan voor armstukken en een korte mouwentrui. Weer vertrokken moeten we enkel nog over de Valkenberg (ik haat de Valkenberg), en de Eikenberg om naar de voet van de Koppenberg te fietsen.

Op het fietspad richting het monster rijden we met ons drieën nog snel enkele grote groepen voorbij. En dan spelen we klootzak, door met ons drieën naast elkaar te gaan rijden. Blok erop. Ruimte creëren. Speling laten. Maar eens de bocht om, komen we desondanks toch weer in een massa terecht. Alsof ze ons om de hoek stonden op te wachten.

Kimpe draait als eerste op. Ik laat een paar meter. Wat Van der Aa doet, weet ik niet. Een glimp naar boven geeft me wel een beetje vertrouwen. ’t Is er minder druk dan andere jaren. Ik rijd 10 kilometer per uur. We naderen het stuk van 22%. En dan loopt het mis. Kimpe wordt uit evenwicht gebracht en staat te voet.

Ik hou de benen even stil en hoop dat Kimpe zo snel mogelijk plaats maakt. Doet ‘m ook. Ik passeer. Het steile stuk voorbij, staat opnieuw mijn familie ons aan te moedigen. Ben helaas de enige die al fietsend passeert. Van der Aa zat op het moment van Kimpe pal in mijn wiel en moest wel voet aan de grond zetten. Die fout zal hij nu niet meer maken.

Op en na de Steenbeekdries laat Van der Aa ook zijn goede benen zien. Of hij is wat pissig. Hij speelt een beetje, zegt dat hij rustig zal rijden, maar komt op de daarop volgende hellingen toch vaak een eind voor mij boven. Op de Karnemelkbeekstraat kiezen we echter samen voor een rustig tempo. De finale met de Oude Kwaremont en Paterberg nadert.

Ik zit wel al even met een probleem: de benen lopen stilaan leeg. Ik grijp naar mijn achterzak en vind nog een cafeïnegel. Een tip van mijn fietsenmaker. Ik weet niet of het daar aan ligt, of gewoon aan het idee dat mijn familie ons een laatste keer zal opwachten op het Kwaremontplein, maar: het gaat plots weer. Ik kan weer trappen.

In de afdaling naar de voet van de Kwaremont kunnen de benen nog heel even herstellen. En dan volgt een bocht naar rechts. Kleine baantjes brengen ons naar de kasseien van het ding. Kimpe neemt de leiding, maar laat mij kort daarop wel passeren. Hij gunt mij het moment. En hij moedigt mij zelfs nog aan.

‘Komaan, Niels.’

Verdomme, die kan zelfs nog praten. Ik moet dus harder. 22 kilometer per uur staat er. 23. 24. Er kan niks meer bij. Het voelt alsof we heel snel gaan. Kimpe en Van der Aa blijven in het wiel. Daar is het plein. Dag familie. Heel veel aanmoedigingen. Het plein staat vol. Nikki staat er nog met een bidon. Ik schud. Plein voorbij. Schouderklop. De beer passeert.

Van der Aa en ik staan er de rest van de Oude Kwaremont alleen voor. Eens de strook voorbij, volgt de steenweg die ons naar de afdaling brengt richting Paterberg. De laatste van de dag. We rijden zo hard mogelijk om Kimpe niet te lang te laten wachten. Het gaat dan ook naar beneden. En dan naar rechts. Van buiten- naar binnenblad.

Er volgt een trage spurt van 400 meter tussen de zwalpende massa en heel veel publiek. Dit zijn we niet gewend. Fantastische sfeer. Kicken. En het gaat nog behoorlijk vlot. 235 kilometer op de teller. We zijn boven. Nu naar het centrum van Oudenaarde op oersaaie wegen. Gelukkig hebben we een brommer bij.

Kimpe neemt de kop en loodst ons voorbij grote groepen, die tevergeefs proberen aan te pikken. Het doet verdomd pijn, die laatste 10 kilometer. We rijden ze aan een gemiddelde van 41 kilometer per uur. Gek. Ik neem nog één keer over. Kwestie om niet met een wrang gevoel naar huis te gaan. Van der Aa doet hetzelfde.

Onder de rode vod gaat de spanning uit de benen. Na 245 kilometer, en iets minder dan 9 uur op het zadel, zit onze Ronde er helemaal op. Nummer 7. Ik kan het niet laten om net als Lance Armstrong na zijn zevende overwinning in de Tour hetzelfde cijfer uit te beelden aan de eerst volgende fotograaf. Tot daar mijn imitatie.

Onze medaille krijgen we uit de handen van mijn neefje Senne, straks in juni 5 jaar. Een week na zijn verjaardag volgt Milaan-Sanremo. Misschien wel de meest saaie van alle klassiekers, maar ik moet. Ik kan eigenlijk niet wachten.

N.

Zilver is ook mooi

Pijn in de benen. Opkomende krampen. Hoe lang is de Croix nog? Misschien is het niet eens zo slecht dat ik het parcours maar half heb bekeken. Het antwoord zou geweldig kunnen tegenvallen. Een glimp naar de teller. Een gemiddelde snelheid van 25,5 kilometer per uur. Heel veel marge heb ik niet meer. Goud gaat straks moeilijk worden.

Op zoek naar nieuwe fietsdoelen, was ik vorig jaar in augustus na een vakantie in de Vogezen uitgekomen op Les 3 Ballons. De lange afstand van 215 kilometer maakt me niet meer bang, wel de hoogtemeters: 4.200. Hoe moet ik me daar in mijn streek op gaan voorbereiden? Hier ligt geen Ballon, laat staan een grote.

Na de knieproblemen in januari, waardoor ik maar met een halve conditie de Ronde van Vlaanderen overleefde, moest juni wel een haalbare kaart worden. In mei trainde ik dan ook iets harder dan anders voor wat straks de meest lastige rit uit mijn leven zou moeten worden. Of tot nu toe. En met succes. Ik vertrek naar Frankrijk in mijn best mogelijke conditie.

Dat er opnieuw een beetje vocht in de knie is gekropen doet me in de aanloop naar wel weer een beetje twijfelen. Ik slik ontstekingsremmers en doe het de laatste paar dagen rustig aan. Een gouden medaille – die je krijgt wanneer je de tocht binnen de 9 uur kan afwerken – was het doel. Ik kan alleen maar hopen dat de knie er geen stokje voor steekt.

Samen met Matt en zijn tante Marijke logeren onze papa en ik in een chalet in Saulxures-sur-Moselotte, op zo’n 50 kilometer van de start in Luxeuil-les-Bains. De wekker loopt af om 4 uur om een laatste portie pasta naar binnen te spelen. De zoveelste al deze week. Daarna vertrekken we, want de start is om 7.15u. We komen om half zeven toe.

Schoenen aan. Helm op. En de regenjas aan, want het regent. Alles bij elkaar verliezen we al snel een kwartier. En door de zenuwen is een laatste sanitaire stop ook zeer nodig. ’t Is er aanschuiven in een donkere gang van een verouderd sportstadion. Hygiëne is nu niet belangrijk. Gewicht is vandaag alles. En dus persen we er graag nog eens alles uit. Sorry.

Dan gaat het richting start. Een goede positie afdwingen is een hopeloze zaak geworden. Er staan er zeker 1.000 voor ons, als het er niet meer zijn. Geen ramp voor mij, wel jammer voor Matt, die zich toch wat wil mengen in de wedstrijd. En ondanks onze slechte startpositie zal hem dat ook wel een beetje lukken. Alleen zal het geluk Matt de rest van de dag weinig mee zitten.

Eens vertrokken gaan we elk onze eigen weg. ’t Is zoeken naar een groep met een aanvaardbaar tempo. En door de massastart is dat eigenlijk niet zo moeilijk. Na een paar kilometer sluit ik aan bij een groep die me aan een gemiddelde snelheid van 35 kilometer per uur naar de voet van de Cote Faucogney brengt.

De Faucogney is niet meer dan een opwarmer voor de Col des Chevrères. Een steil ding waar ik het bestaan niet van af wist. Toen Matt, Marijke en onze papa gisteren het parcours bestudeerden zat ik in de zetel te kijken naar de Dauphiné. Niet helemaal onbewust. Misschien is het beter dat ik niet precies weet wat er komt.

Het klimmen gaat behoorlijk en de knie doet voorlopig niet moeilijk. De afdaling daarentegen gaat een stuk moeizamer. De wegen liggen nat en risico’s neem ik liever niet. Dat heb ik ook thuis beloofd. Sowieso zal het gemiddelde wel stijgen wanneer het naar beneden gaat, ook al ga ik wat vaker in de remmen. Anderen hebben het niet begrepen. Ik zie gekke dingen.

Aan de voet van Ballon d’Alsace, na 65 kilometer, heb ik het gevoel dat ik er echt aan begonnen ben. De Ballon brengt ons naar een hoogte van 1.247 meter. Eens boven zie ik onze papa, die me een bidon aanreikt en me aanmoedigt. Ook voor hem is dit genieten, ook al mist hij door de hevige mist wel een fantastisch uitzicht.

Het doel is nog steeds goud en dus is stoppen uit den boze. Alleen beslist de blaas er anders over. Een stop van een minuut duurt me veel te lang. Door de koude in de afdaling moet ik iets verder opnieuw aan de kant om mijn regenjas aan te trekken. En dan voorzichtig verder. Naar de volgende. Dat moet Le Grand Ballon worden.

Op kilometer 100 zie ik voor het eerst, en tot mijn grote verbazing, Matt weer terug. Hij staat aan de kant met een platte band. Mijn aanbod om te helpen slaat hij snel af. De afleiding zorgt er wel voor dat ik het bord met de naam van de volgende beklimming mis. Maar dat moet nog altijd Le Grand Ballon zijn. Alleen: ’t is hem niet.

Met rode wangen vraag ik in groep op welke beklimming we zitten. Hunsruck, krijg ik in koor terug. In de Vogezen wordt vandaag uiterst Vlaams gesproken. De Hunsruck is iets meer dan 8 kilometer lang – wat een tegenvaller – en brengt ons daarna naar de lang verwachte Grand Ballon. Het hoogtepunt van de dag. Ik doe in mijn broek.

In de afdaling van de Hunsruck is Matt weer komen aansluiten. Hij zal aan de voet stoppen bij zijn tante om zijn nieuwe band op te pompen. Ik vang er enkel een bidon en kom pas na enkele kilometers klimmen tot het besef dat ik eigenlijk door mijn voorraad energierepen zit. Gelukkig komt Matt halverwege Le Grand Ballon – trouwens 16 kilometer lang – weer terug.

‘Çava?’

‘Çava.’

‘Kunt ge een reep missen?’

Waarop Matt in zijn achterzak gaat tasten en mij gelukkig kan bevoorraden.

‘Rij nu maar door.’

Ondanks z’n fel opgelopen achterstand laat Matt de moed niet zakken. Het duurt ook niet lang voor ‘m weer uit het zicht verdwenen is. Ik hoop dat ik hem niet meer terug zie. De resterende kilometers van Le Grand Ballon – met een hoogte van 1.424 meter de hoogste in de Vogezen – leg ik voornamelijk solo af. ’t Is er ieder voor zich.

Door de mist, hier nog meer dan op Ballon d’Alsace, zie ik in de laatste drie kilometer nog amper tien meter voor me uit. Heel vreemd. Uiteindelijk doe ik een uur en zeven over het monster. Boven stop ik bij de bevoorrading van de organisatie waar een Fransman mij energierepen en energiegels toestopt. En de regenjas gaat aan. ’t Is er een graad of zes.

De lange afdaling is door de lage temperatuur alles behalve aangenaam. Opnieuw neem ik geen risico’s. In een van de eerste bochten naar beneden zie ik al twee renners in een brancard liggen. En dus zien de remmen nog wat meer af. Helemaal beneden stop ik nog maar eens bij papa en Marijke, bij wie Matt net weer vertrekt.

Ik vraag een nieuw shirt en regenjas. En doe toch nog maar een paar repen. Je weet maar nooit. Ik maak er ook meteen een nieuwe sanitaire stop van. Ik kijk niet eens om. Van gêne is geen sprake meer. Goud, hè. Alles moet snel gaan. Wanneer de blaas leeg is vertrek ik richting de Col d’Oderen, waar ik een dreun krijg. Op vakantie vorig jaar was deze geen 7 kilometer lang.

Een nieuwe glimp naar beneden. Gemiddelde snelheid: 25,1 kilometer per uur. Mijn marge is bijna op. Met al mijn stops er bij zit ik er wellicht al onder. En ik moet nog 60 kilometer. En over de Col des Croix, weet ik. Misschien moet ik dat goud stilaan uit mijn hoofd zetten. Zilver is ook mooi. En dan komt papa plots naast me gereden. ‘Matt gaat stoppen.’

Helemaal onderkoeld moet Matt noodgedwongen opgeven. In de afdaling van Le Grand Ballon kon hij door de koude amper nog sturen. Nieuwe kledij aan de voet kwam te laat. De koude had hem al te pakken. Op de top van de Col d’Oderen zit zijn Les 3 Ballons er helaas veel te vroeg op. Godverdomme.

We hebben hier samen lang naar uit gekeken. En ik maak het straks af en hij niet. Hoe moet ik hem vanavond aanspreken? De Col de Menil maak ik niet echt bewust mee. Op de Col de Croix iets verderop is mijn concentratie wel weer terug. Ik voel steeds meer pijn in de benen en opkomende krampen.

Na een dikke kilometer passeert er een groep. Ik probeer aan te haken. Eens we boven zijn is het gedaan. Dan gaat het naar beneden richting aankomst. Als ik de groep kan volgen en in de afdaling stand kan houden, is goud weer een optie. Ik trek lelijke gezichten om niet te breken. Op de top is mijn achterstand 50 meter, maar ik kom terug.

Er gaat een duim richting papa, die ondertussen met de auto gewoon volgt en niet meer van punt naar punt rijdt. Het deelnemersveld hangt zodanig uit elkaar dat hij niemand meer zal hinderen. Mijn enthousiasme is echter van korte duur. Plots draaien we rechts een stevige muur op. Het begin van enkele plateaus die samen nog goed zijn voor 500 hoogtemeters.

’t Is vloeken. Dit had ik niet meer verwacht. Steile dingen. En alsof het nog niet moeilijk genoeg is begint het ook nog eens hard te regenen. Stoppen om de regenjas weer aan te trekken doe ik niet meer: de klok blijft tikken. Ik rijd zo hard als ik kan. En tot mijn verbazing rijd ik ook weg uit de groep die me net nog te pakken had op de Croix.

In de afdaling ga ik door de gladde wegen bijna uit de bocht. Ik kan me nog net corrigeren. Eens beneden zijn we ook echt beneden. Ik maak m’n zakken leeg en speel alles naar binnen wat ik nog heb zitten. En dan volgt het bord van de laatste 20 kilometer. Het geeft me een boost. Op euforie naar kilometer 200. En erover.

Ik haal een nieuwe groep bij en ga meteen naar de leiding. We rijden aan een gemiddelde van 35 kilometer per uur richting Raddon-et-Chapendu. In de nog steeds gietende regen. De benen staan op springen. We draaien nog behoorlijk rond en wanneer het niet mijn beurt is neem ik voor het eerst de tijd om een beetje te rekenen.

In principe is het niet moeilijk. Negen uur is negen uur. En negen uur is goud. Basta. Maar door de verschillende stops, de vermoeidheid en rekening houdend met pech die nog volgen kon, was goud nooit helemaal zeker. Tot nu. In de laatste kilometers besef ik dat het uiteindelijk relatief makkelijk gaat lukken. Ik weet met mijn geluk geen blijf.

In de slotkilometer gaat de spanning van de benen. Genieten is dit. Ondanks de regen. Ik ben er. Na 8 uur en 29 minuten. En een gemiddelde snelheid van iets meer dan 25 kilometer per uur. Er volgt een gouden medaille, een diploma en een omhelzing met de papa. Fantastisch gevoel. Al zit ik met mijn gedachten ook al bij Matt in Saulxures-sur-Moselotte…

N.

De klootzak

Vorig jaar had ik mentaal al een beetje afscheid genomen van mijn Ronde. Vijf is een mooi aantal. Op naar andere doelen. Maar in november begint het toch weer te kriebelen. Wist ik toen veel dat ik in januari amper op de fiets zou zitten. Eind december kom ik ten val met de mountainbike en loop ik een kneuzing op aan de knie. Dag Ronde.

Januari is een hel. Uiteindelijk zit ik amper vijftien uur op de fiets. Ik mag enkel losrijden. Geen kracht zetten. In februari doe ik stiekem al iets meer dan wat ik mag. Tegen beter weten in. En in maart krijg ik licht op groen om al iets langere afstanden te fietsen. Een rit naar de Muur van Geraardsbergen en terug: helemaal kapot ben ik.

Gent-Wevelgem, een week voor de Ronde, is mijn enige echte en laatste training richting Brugge. 220 kilometer. Ben ik eigenlijk niet klaar voor. Mijn kaars is uit op meer dan 100 kilometer van de aankomst, maar ik kom wel aan. Het stelt mij een beetje gerust. Een week later moet dat ook wel lukken. Al is de Ronde van Vlaanderen wel een stuk zwaarder.

Gelukkig rij ik ‘m niet alleen. Matt had vorig jaar de domme belofte gemaakt om de Ronde te rijden. Als hij terug zou komen uit blessure, tenminste. Hij kwam terug. En ik was zijn belofte natuurlijk niet vergeten. Matt heeft een zware degout van kasseien. Klinkers bombardeert hij op training al snel tot Carrefour de l’Arbre. Hij moet slecht geslapen hebben deze week.

Ook Matthias, Kimpe, voor ons, doet mee. Hij is Matts tegenpool wat de kasseien betreft. En dus staan we met drie van onze ploeg aan het Jan Breydelstadion in Brugge. Een eerste obstakel voor Matt, supporter van Anderlecht, die het stadion van Club Brugge overdreven vindt voor een tweedeklasser. We kunnen er niet snel genoeg weg zijn.

Het gaat meteen richting de markt van Brugge, waar de profs morgen vertrekken. ’t Is er zwalpen tussen de massa. Eens vertrokken is het net zoals de afgelopen jaren zoeken naar een groep die ons zo ver mogelijk brengt zonder al te veel energie te verbruiken. Geen moeilijke opdracht met zo’n 4.000 fietsers die aan de langste tocht zijn begonnen.

In tegenstelling tot andere jaren tellen de kilometers nu helaas wel. Na 100 kilometer voelt het ook effectief alsof ik 100 kilometer gereden heb. En we hebben nog geen helling gezien. Na de tweede bevoorrading zien we onze papa en mijn jongste zus Nikki, die traditiegetrouw ons op enkele plaatsen zullen opwachten.

We ruilen onze winterjas voor een langemouwenshirt en kunnen weer verder. Als de weersvoorspellingen kloppen, moet het straks meer dan vijftien graden worden. Maar de zon verdwijnt eens we de Vlaamse Ardennen bereikt hebben en warmer dan tien-elf graden wordt het helaas niet meer.

De eerste helling is de Wolvenberg. Officieel na 108, maar op onze teller toch pas na 116 kilometer. Ik laat er mijn ploegmaats al snel gaan. Iets wat ik de rest van de dag zal moeten doen. Op de Molenberg kom ik als tweede boven. Zelfs met een mindere conditie moet ik Matt op de kasseien achter mij kunnen houden.

Op de Paddestraat neemt Matt mij dat laatste weer af. Alsof hij nooit anders heeft gedaan, rijdt hij vlot over de kasseien aan hoge snelheid. Geen momentopname, bewijst hij ook op de Haaghoek en na het koppel Berendries en Valkenberg ook op de Eikenberg. De klootzak heeft ons al die jaren goed liggen. Een mentaal tikje. En de Koppenberg moet nog komen.

Richting het monster denk ik terug aan vorig jaar. Alstublieft, zet mij niet opnieuw te voet. ‘Als jullie boven raken, en ik niet, ga ik mij heel slecht voelen’, ben ik heel eerlijk tegen de ploegmaats. We wensen elkaar succes en veel geluk, want daar komt het tussen de massa toch vooral op aan.

De drukte is er enorm. Dit lukt niet. Niet nadenken, Niels. Matt en Kimpe rijden links weg. Eigen tempo en voorzichtig sturen. Niet naar rechts wenken. Daar ligt modder. Ik kijk op. Waar ben ik? Nog niet ver genoeg. Trappen. Schakelen. Gaat niet meer. Hij ligt al op de 27. Heel veel mensen langs de kant. ’t Is net zondag. Het steilste stuk moet gaan komen.

Opstopping dreigt. Nee! Heel even voet aan de grond. En meteen terug de pedaal zoeken. Bam. Van de eerste keer er opnieuw in. Matt en Kimpe staan te voet. Ik passeer. Ze roepen. ‘Komaan Niels!’ Ik wel, zij niet. Op geluk. Het steilste stuk overwonnen, maar ik ben er nog niet. Ik roep, niet heel beleefd. ‘Weg! Rechts! Ga naar rechts!’

Mama staat aan de kant. Wist ik op voorhand niet. Leuk moment. Vorig jaar stond ik hier nog te voet en met een gezicht tot op de grond. Nu passeer ik haar, nog steeds op de fiets. De laatste 200 meter van de Koppenberg leg ik af met een brede glimlach. Geweldig! Althans, voor mij. Na de Steenbeekdries en net voor de Taaienberg komen we weer samen.

Deze zijn al overwonnen. Maar alleen op een beetje euforie raak ik niet aan de finish. Op de Kanarieberg en de Kruisberg is het harken. En ook de Karnemelkbeekstraat is dit keer buiten categorie. De benen zitten helemaal vol. In de afdaling richting Oude Kwaremont neem ik een lichte voorsprong, maar nog voor de kasseien ben ik eraan.

Ik weet niet waarom, maar het klikt gewoon niet tussen de Oude Kwaremont en ik. Ik doe ‘m niet graag. En toch gaat het lang zo slecht niet als dat ik verwacht had. Matt en Kimpe rijden al snel weg en zal ik pas terugzien op de top van de Paterberg. Maar eerst dit dus. En mede door de aanmoedigingen van mama en Nikki op het plein ben ik er nog relatief snel vanaf.

Daarna gaat het links op de steenweg richting Paterberg. Een kleine twee kilometer verder. De laatste van vijftien hellingen. De steenweg voorbij gaat het weer links naar de afdaling die ons naar de voet brengt. Ik passeer er aan hoge snelheid verschillende mensen die mij op het ding eventueel nog zouden kunnen hinderen. En dan is de ultieme bocht naar rechts er heel snel.

Er volgt een spurt van 400 meter op de kasseien. Het stelt niet veel meer voor. 9 kilometer per uur. ’t Is pompen. Kots neigingen. Lastig ding na 223 kilometer. Blijven gaan en vooral niet stilvallen op het steile stuk. Ook hier veel mensen langs de kant. Kicken. ’t Gaat weer lukken. Onze papa geeft mij nog een laatste zetje, maar ’t is eigenlijk niet nodig. Ik ben er! Wij zijn er!

De ploegmaats hebben boven gewacht. Ik had hen onderweg al tien keer gezegd door te rijden, maar ze willen samen finishen. Geweldig. Of er nog iets in zit? Eigenlijk niet. Maar in ’t wiel moet het wel lukken. Matt zet zich op kop. Iets later neemt Kimpe over. Godverdomme, nu moet ik straks ook. Mijn twee beurten zijn heel bescheiden.

Eens de rode vod voorbij laten we gaan. We zijn er, na iets meer dan acht en een halfuur op de fiets. 235 kilometer. Ons doel bereikt. Gemiddelde snelheid: 27,4 kilometer per uur. Niet slecht. Vooral de verdienste van mijn twee ploegmaats. Of dit de laatste was? Ik durf het niet meer te zeggen. Maar waarschijnlijk niet.

N.

Had ik maar een 30

Als alles goed gaat herhaalt het scenario van vorig jaar zich. Superbenen, mooi weer en na 240 kilometer met overschot Oudenaarde bereiken. Maar het gaat niet gebeuren. Ik sta met een vreemd gevoel in Brugge bij de start van mijn vijfde Ronde van Vlaanderen. Helemaal alleen. ’t Is te zeggen: geen ploegmaat mee. Twee van mijn trainingsmaten die aanvankelijk – of misschien – zouden deelnemen zijn ziek. En ze hebben groot gelijk.

’t Is drie graden en het regent. Gevoelstemperatuur onder nul. Lange mouwen, winter- en regenjas. En twee broeken. Goed beladen, maar bij de eerste of tweede bevoorrading speel ik wel iets kwijt. Papa en zus Nikki hebben mij in Brugge afgezet, zullen het parcours hier en daar afsnijden en voor de nodige steun zorgen. En dus ook voor mijn kleren.

Het doel is om Brugge uit te rijden en een groep te vinden. Meegezogen worden naar de Vlaamse Ardennen. Geen trap teveel geven en zo de heuvelzone bereiken. Ik vind al snel een groep, maar aangenaam fietsen is ’t niet. Na een uur rijden ben ik al helemaal nat en heb ik verschrikkelijk kou. Het gevoel in mijn handen is weg. En ik heb nog niks kunnen eten.

Ik laat de groep noodgedwongen los en fiets solo tot de eerste bevoorrading. Kilometer 50. Een groep Nederlanders vraagt mij de kortste weg naar Oudenaarde. Zie ik er al zo slecht uit dat ze vermoeden dat ik stop? ’t Gaat wel door mijn hoofd. Nog eens 190 kilometer afleggen is in deze omstandigheden voor mij echt niet haalbaar. Ben geen beer.

Gelukkig hebben ook papa en Nikki de weg naar de bevoorrading gevonden. Ik krijg een nieuw paar handschoenen. Onbetaalbaar. Hoe het gaat? Niet goed. Of ik nog zin heb verder te rijden? Nee. Waarom ik toch verder doe? Ik weet het niet. Ik probeer vooral niet veel na te denken en maak van de tweede bevoorrading mijn volgende doel. Het blijft regenen.

Ik vind een aanvaardbaar ritme en bereik na opnieuw 50 kilometer en meteen na de Tiegemberg bevoorrading nummer twee. ’t Is ondertussen gestopt met regenen en dus kies ik bij de wagen voor nieuwe en vooral droge kleren. Er gaat snel een halfuur voorbij voor ik opnieuw op de fiets zit. De volgende hindernissen: de Wolvenberg, een hoop kasseien en de Molenberg.

Ondanks de ellende en de koude die nog altijd in de benen zit, voel ik op de Molenberg dat er nog wel een beetje in zit. Dat ik, als ik heel voorzichtig ben en vooral niet zot doe, de aankomst wel zal halen. Mijn gemiddelde snelheid is ondertussen niet meer van belang. In het eerste uur nog 30, nu al een stuk onder de 27. En het zal blijven zakken.

Eens bevoorrading nummer drie voorbij begint de Ronde echt. De hellingen en kasseistroken volgen elkaar na de Haaghoek op. De Leberg, Berendries, Valkenberg en Eikenberg. Die laatste heb ik nooit graag gedaan. De Koppenberg is de volgende. En als het goed is staan er net als vorig jaar drie supporters op mij te wachten.

In de aanloop naar de Koppenberg is het een blij weerzien met een kwartet enthousiaste Amerikanen. Zo’n 100 kilometer en een paar uur geleden al eens aan de praat mee geraakt. Ze waren toen net terug uit hun hotel in Kortrijk, waar ze na een kletsnatte voormiddag een douche namen en nieuwe kleren aantrokken. “Hey man, you’re back!”

Of ik weet welke helling nu volgt, vragen ze. En of die lastig is. Lastiger dan de Peeterbeurg? Ik vertel dat ik bang ben. Bang dat ik niet boven zal raken. Ik vertel ook dat ze aan de voet beter niet naar boven kijken. Meteen kiezen voor een klein verzet en hopen op een vrije baan. Maar het is druk. Zelfs de zon is naar hier gekomen.

Verstand op nul en trappen. Alles meteen naar links. Kleinste verzet. 28. Had ik maar een 30. Heel veel modder op en tussen de kasseien. Niet van het zadel komen. Totaal geen grip. Ik fiets nog altijd. Ga er een of twee voorbij. Heel veel volk langs de kant. En dan komt het. Het steilste stuk. 22%. Vandaag 35%.

BAM. Een val. Recht voor mijn neus. Voet aan de grond. Ik faal. Niet mijn fout, maar toch. Geef mij een duw, alstublieft. Ik krijg wat ik wil, maar zal na een nieuwe aarzeling toch te voet naar boven moeten. Mama, zus Nele en haar zoontje Senne, straks drie jaar, zien mij en de andere toeristen naar boven wandelen. Ontgoocheling. En zelfs een paar tranen.

De laatste honderden meters spring ik alsnog op mijn fiets. “Komaan Niels, jij kan dat”, roept Senne nog. Vandaag zijn er 15.000 die voor hem Niels heten, maar mij haalt hij er echt wel uit. De steun heeft mij ondanks mijn falen wel weer moed gegeven. Nog 60 kilometer. Dat zijn er nog een kleine 50 tot de Paterberg. Gaat lukken. ‘k Zal er wel komen.

Na de Steenbeekdries volgt de Taaienberg. En daar vertik ik het om het gootje op te zoeken. De benen lopen weliswaar leeg, maar ik moet met een goed gevoel straks naar huis. Daarna volgen onder andere ook nog de Kaperij, de Kanarieberg en de Kruisberg. En net als vorig jaar krijg ik precies daar een geweldige dreun. Alleen komt het nu niet meer goed.

’t Is geen hongerklop. Heb vandaag al tientallen energiebars op. En gellekes. Heel veel gellekes. Kan geen gellekes meer zien. Nee, de benen zijn gewoon op en willen niet meer. De Karnemelkbeekstraat is buiten categorie. Superlang en supersteil. De Oude Kwaremont? Zorgen voor straks. Binnen een kilometer of vijf. Gelukkig vooral in dalende lijn.

Ik doe een poging de benen los te gooien. Doen die mannen op tv ook. Helpt niet zo veel. De Kwaremont komt nu heel dicht. Bocht naar rechts. Daar ligt ‘m. Ik kruip naar boven. De GPS piept. Hij denkt dat ik stil sta. Minder dan 6 kilometer per uur. Doodop. Vorig jaar deze tijd zat ik nu al bij McDonalds frieten te tellen.

Na de Kwaremont zoek ik voor het laatst een boom op. Ik moest al van aan de voet. Daarna gaat het met veel tegenzin richting Paterberg. In de afdaling kan ik het moeilijk laten een paar blikken naar boven te werpen. Ik zie veel mensen. En wandelaars. Het zal toch niet? Ik bereid me voor op het slechtst mogelijke scenario.

Bocht naar rechts. Dranghekken in het gootje. Er is geen alternatief. Alleen de kasseien. Ik zie meteen iemand afstappen. Rechts blijven, alstublieft! Doet ‘ie. Trappen, Niels. En bij elke trap hopen dat het niet de laatste is. Elke meter is gewonnen. Hoofd naar beneden. 21%. En ik fiets nog altijd. Ik ga het doen. Ik ga er komen. Er komt een einde aan vandaag.

In de laatste 50 meter zit er zowaar een versnelling in. Van 6 naar 7 kilometer per uur. Gelukt. En nu naar Oudenaarde. Tand groter. Sprintje. Nee, doet pijn. Ga maar weer zitten. Nog 16 kilometer. Er verschijnt opnieuw een 30 op mijn teller. Puur op een beetje euforie. Maar eens de laatste rechte lijn opgedraaid – eentje van 12 kilometer lang – zet de wind mij wel weer op mijn plaats.

Gelukkig ben ik niet alleen. We draaien met z’n drieën rond. De ene is vijf meter lang en de andere minstens zes. En dus zit ik goed verscholen als ik niet aan de beurt ben. Maar heel snel gaat het niet meer. 25? Zoiets. De streep had van mij ook gerust een stuk dichter mogen liggen. Eens de officiële aankomst bereikt is het zelfs nog een drietal kilometer tot waar die van ons ligt.

Na 240 kilometer zit het er eindelijk op. Een grote kick blijft wel uit. Een kleine ook. Ben te kapot. Bijna net zoals na Luik-Bastenaken-Luik. Papa en Nikki staan me op te wachten, maar ik rijd ze even voorbij. Ze laten me doen. Dat ze trots zijn, vertellen ze. Ben ik ook wel. Had er alleen meer van verwacht. Dat dit mijn laatste Ronde is, ben ik overtuigd.

Maar misschien moet ik wel terug.

N.

Dag superdag

Ik kan mezelf moeilijk bedwingen. De gashendel gaat open, en we zijn nog maar halfweg. De Paddestraat is vandaag van mij. Het gaat niet onder de 33 kilometer per uur. Superbenen. Kasseien en korte hellingen. 245 kilometer Vlaamse wegen. De Ronde van Vlaanderen. Dat is mijn parcours. F*ck Luik-Bastenaken-Luik en Parijs-Roubaix.

Met de Ronde en de Amstel Gold Race doe ik er dit jaar twee. De Ronde samen met Niels, NVDA voor de vrienden, en de Amstel met Matt. Gewoon Matt. Vandaag moet ik goed doorkomen en straks in Nederland moet ik overleven. De hellingen daar liggen mij niet. De Keutenberg, de Cauberg: ik kan er straks niet snel genoeg vanaf zijn.

Maar nu sta ik dus in Brugge. Met NVDA. Ik heb geen idee hoe ik hem zo ver heb kunnen krijgen om hier deel te nemen. NVDA heeft een lichte degout van kasseien. Op training zou hij nog liever 10 kilometer om rijden dan over een strook van 500 meter te dokkeren. Bovendien start hij met een ei in de broek. Bang voor de lange afstand.

Het is half acht als we vertrekken aan het Jan Breydelstadion. Het voetbalveld van de lokale ploeg hier. ’t Gaat richting de Markt van Brugge, waar de officiële start is. Vanaf dan is het zoeken naar een groep die ons tot aan de heuvelzone brengt. We moeten op reserve de eerste 120 kilometer zien te overleven. Geen sinecure.

Nog maar bij het uitrijden van de West-Vlaamse hoofdstad komen we in een groep terecht. ’t Gaat tussen de 28 en de 30 kilometer per uur. In groep ideaal. Maar ons geluk is van korte duur. Een of andere gek passeert en legt het tempo een stuk hoger. Gaan we mee, wachten we op een groep uit de achtergrond of rijden we verder met ons tweeën?

Bang voor het laatste schuiven we mee met de rest van de groep. Naar Kortrijk, alstublieft! Onderweg liggen twee bevoorradingen, waar we zo min mogelijk tijd proberen te verliezen en toch zo veel mogelijk proberen binnen te slaan. De tijd gaat snel vooruit en net voor de middag bereiken we de eerste obstakels.

De Wolvenberg is de eerste van vele hellingen en is met zijn 645 meter een korte maar goede opwarmer. Daarna volgen in een sneltempo enkele kasseistroken. De Ruiterstraat, Kerkgate, de Molenberg en de Paddestraat. De benen voelen goed en ik ben blij dat het eindelijk is begonnen. Ik zet de gashendel open.

Ik voel op de Paddestraat veel kracht in de benen en trek door. Buitenblad. Alles naar rechts. Iedereen voorbij. Superdag? Niemand kan volgen. Of toch. Er komt eentje naast me gereden in ’t grind. ‘Weg! Uit de weg!’ Ik probeer hem op de kasseien op te vangen. Oneerlijke strijd. Tot er een heerlijk geluid volgt. De bruut rijdt lek. Ik win.

Na de Paddestraat volgt de derde van vijf bevoorradingen. Papa en Nikki zijn er ook. De crew. Onze hulplijn. NVDA en ik laten wat kleren achter. De zon is er ondertussen goed doorgekomen. Nog 100 kilometer te gaan. Er kan een lach af. NVDA is goed. Tot dusver nooit ver achter. We houden ons gemiddelde van 30 kilometer per uur lang stand. En we staan er ondertussen toch al ruim 50 kilometer alleen voor.

Dat NVDA goed is merk ik ook een eind verderop. Op de Haaghoek gaat het aan 45 kilometer per uur naar beneden. Een aanloop naar het oplopende stuk. Ik ga hard, maar zie NVDA, de grootste kasseihater die ik ken – op Matt na, die vandaag ‘moest werken’ – plots passeren. Ik doe mijn best maar hou hem gewoon niet bij.

Vanaf de Leberg is het krachten sparen. We drukken het tempo voor wat moet komen. De Koppenberg. De moeilijkste. De schrik zit er ondanks goede benen toch een beetje in. Ik mag er niet aan denken dat het er een file is. In dat geval kunnen we onze energie beter sparen om straks te slalommen.

We zien de Koppenberg van ver liggen en ondanks de beperkte drukte stelt ze ons niet helemaal gerust. Hij is hoog en steil. En hoog. En steil. Heel blij dat ik daarstraks bij de wagen toch achteraan voor een 28 heb gekozen. Mijn allerkleinste verzet. Ik ga hem absoluut kunnen gebruiken. Maar de truc is om hem zo laat mogelijk op te roepen.

Bij het opdraaien kies ik toch al voor de 25. Een kleine glimp naar boven. Hij is nog steiler dan drie jaar geleden. Mijn weg inschatten. Moedig ons maar aan, mensen. Ik kijk vijf meter voor me uit. De trapfrequentie daalt heel snel. Links, rechts, links, rechts. Stampen. Blijven doorgaan. De 28. Het steilste stuk moet nu volgen.

Nog een glimp naar boven. Ik dreig ingesloten te raken. Ik probeer te roepen, maar ik fluister. Iedereen gaat op zij. Dank u! Geen adem meer. 7 kilometer per uur. Ik sta bijna stil. Doe bijna in mijn broek. Het steilste gedeelte is voorbij. Opluchting. En dan hoor ik plots mijn naam. ‘Komaan Niels!’

Mijn mama, mijn zus Nele en haar zoontje Senne, mijn beste kameraad, staan langs de kant. In blauwe WVcycling T-shirts die Nikki speciaal liet maken. Voor NVDA en mij naar hier gekomen. Krop in de keel. En ik moet nog steeds 100 meter. De vermoeidheid is even weg. Ik wil hen van alles toe roepen, maar kom niet verder dan een groet naar Senne. Hij lacht.

Ook NVDA raakt zonder veel problemen boven. Voet uit de haak, maar er snel weer in. Sterk. De Paterberg moet nu ook wel lukken. Al volgt die pas over dik 40 kilometer. Op adrenaline vliegen we de Steenbeekdries op en de Stationsberg af. En we vergeten daarbij misschien iets te weinig te drinken. Althans ik.

Tussen de Kaperij en de Kruisberg krijg ik een klop. Dag superdag. NVDA heeft het niet meteen in de gaten. Hij blijft babbelen. Zingen. Nee, we gaan nog niet naar huis. Ik kan amper reageren. Gelukkig volgt op de top een bevoorrading door Papa en Nikki. Die was niet gepland, maar wel nodig. Ik drink alsof ik al dagen niet meer heb gedronken.

Op de Karnemelkbeek is het nog steeds kruipen, maar op de Oude Kwaremont kom ik er gelukkig toch weer door. Een fantastische tijd zet ik er niet neer. NVDA en ik blijven samen. Op het Kwaremontplein staan ze ons weer aan te moedigen. Geweldig. ‘Nog één te gaan’, roepen ze toe. De Paterberg bedoelen ze. Een meter of 400 miserie. Tot 20% naar boven.

Tussen de Oude Kwaremont en de Paterberg is het stil. We weten wat we moeten doen. Hopen dat er geen file is en proberen met een marge op te draaien. Maar dat idee hebben de andere toeristen ook. ’t Is koers tot aan de voet. Ik draai als eerste op en heb de baan voor mij alleen. Of toch zo goed als.

’t Gaat van het grootste in geen tijd naar het kleinste verzet. 39×28. Gewoon boven komen en naar Oudenaarde rijden. Ik ga zo hard mogelijk. Geen idee of NVDA ver achter zit. De weg loopt meer en meer op. Verdomde kasseien. Vingers doen pijn. Alles doet pijn. Moet er bijna zijn. Stampen. Duwen. Trekken aan ’t stuur. Fotograaf. Sta ik er goed op? De mensen roepen. Genieten. Ik ben boven. We zijn er. ’t Is gelukt!

Na de top komen NVDA en ik snel weer bij elkaar. ‘De hellingen zijn op, maat’, roept hij opgelucht. Hij is blij. Ik ben blij, ondanks dat ik de Muur wel een beetje mis. Samen rijden we nog hard richting aankomst en na 8 uur en 45 minuten in het zadel bereiken we het centrum van Oudenaarde. Ons doel is bereikt. Zalig gevoel.

Nummer vier is binnen. En nu op naar de Amstel.

N.

Paris-Roubaix

Armen, benen, handen, schouders, rug: alles doet pijn. Kan nog maar met moeite in m’n bidon knijpen. Heb echt geen zin meer om nog verder te gaan. ’t Is nog dertig kilometer. Parijs-Roubaix moet je niet fietsen voor je plezier. Heb het misschien een beetje onderschat. Hoe bizar. Dan kijk je een half jaar uit naar die ene dag en wanneer het zo ver is wil je niks liever dan dat het zo snel mogelijk voorbij is. Hoe het verlangen naar soms groter kan zijn.

De wekker loopt om kwart voor vier af. Heb tegen alle verwachtingen in goed geslapen. Zeven uur zelfs. De wagen laden en rond half vijf zijn we vertrokken richting Busigny. ‘We’ zijn dit keer de ouders en m’n zus Nikki. Ze zullen volgen waar het kan. Hier en daar eens een strook meepikken is het plan. Ik zal ze over de hele dag echter maar weinig zien. Weet ik dan natuurlijk nog niet. Rond half zeven komen we aan in Busigny, waar de cyclo van start gaat.

Nee. Geen Parijs. De ontgoocheling bij Nikki was bijzonder groot. We starten zelfs niet eens in Compiègne, waar die van morgen vertrekken. De cyclo van Parijs-Roubaix bestaat dit jaar slechts, tussen aanhalingstekens, uit 170 kilometer. De laatste 170 kilometer van het echte parcours. Iets meer dan 52 kilometer over kasseien dus. Welkom in de Hel.

Met de Ronde van Vlaanderen en Luik-Bastenaken-Luik op mijn cyclopalmares kon ik haast niet anders dan ook Parijs-Roubaix te proberen. Ben bang voor mijn materiaal, ondanks dat ik koste nog moeite heb gespaard om mijn vehikel kasseiklaar (is dat een woord?) te maken. Ik start met 25 millimeterbandjes en heb een extra stuurlint met gel aangebracht.

De massastart mis ik met een haar en dus vertrek ik om 7.20u voor een lange solo. Dat de wegen meer af dan op lopen geeft mij veel moed. Geen Luik-Bastenaken-Luik-toestanden. Naar beneden, en dan: vlak! Al is dat laatste relatief. Na dertien kilometer volgt al de eerste van 27 stroken. Troisvilles à Inchy heet het ding. Iets meer dan twee kilometer en drie sterren waard.

Ik ondervind al snel dat ik op het buitenblad een stuk makkelijker over de kasseien rijd. De kantjes zoek ik niet op. Daar is ’t vuil en rijd je sneller lek. Bovendien ben ik niet naar hier gekomen om in ’t veld te rijden. De eerste 500 meter kasseien zijn leuk. Ik heb het gevoel dat ik er echt aan begonnen ben. Daarna volgt al een lichte vorm van irritatie. En daarna volgt gewoon irritatie.

De stroken volgen elkaar in een sneltempo op. ’t Valt allemaal wel mee, probeer ik mezelf wijs te maken. Ik rijd iedereen voorbij. Ik ben goed. Misschien heb ik mijn ding wel gevonden ondanks de irritatie. Na een kilometer of 70 zie ik in de verte Wallers liggen. ’t Bos is niet veraf. Laat maar komen.

Ik kijk enorm uit naar ’t Bos en ben tegelijk ook bang. Ik denk aan Johan Museeuw en het been dat hij daar bijna verloor in 1998. Maar ik moet erdoor. Hoe dan ook. Het Bos maakt al van in de verte veel indruk. Ik zie links en rechts bomen, daar tussen iets wat van ver op een stuk straat lijkt waar geen einde aan komt. Maar hoe meer ik nader, hoe slechter die straat eruitziet.

Met links en rechts heel veel publiek moet ik mijn best doen om niet te snel te willen gaan en de concentratie niet te verliezen. De stenen liggen hier enorm slecht. Dit heb ik nog nooit gezien. ’t Gaat van links naar rechts: zoeken naar een degelijke lijn. Ik zie renners over de dranghekken kruipen en verder rijden op een stuk grind dat vanop de kasseien op een racebaan lijkt. ’t Is enorm verleidelijk om niet hetzelfde te doen. Maar ik kan niet: aan het einde van de strook staan mijn ouders en mijn zus. Vandaag moet ik held spelen.

De 2,4 kilometer door het Bos zijn een echte hel. De irritatie zet zich om in frustratie. Blij dat ik er vanaf ben. De volgende stroken kunnen alleen maar meevallen. Dat doen ze ook. ’t Is te zeggen: de eerste twee. Daarna is het vooral pijn lijden en zoeken naar een positie die dat een beetje beperkt. Op Mons-en-Pévèle bedrieg ik voor het eerst de kasseien.

Ik kan het niet laten en zet mijn principe even opzij. Iedereen passeert me nu langs links en rechts en ook al staan die mensen een kilometer verderop aan de kant met een lekke band: ik kan niet anders. De verleiding voor het grind is groot, de pijn nog groter. Ik gun mezelf een meter of vijfhonderd een stukje comfort. De tijd gaat iets sneller vooruit.

Wanneer de volgwagen naast me komt gereden en me nog eens voorziet van voldoende bidons en energiebars wil ik maar één ding weten: zit ik al over de helft van de in totaal aantal kasseikilometers? Ik stel mijn vraag niet. Te bang voor het antwoord.

Op Templeuve – Moulin-de-Vertain kom ik mezelf lelijk tegen. Met zijn halve kilometer nochtans de minst lange van alle stroken. ’t Is nog amper dertig kilometer, maar de tank is leeg en alles doet pijn. Misschien zijn die kasseien toch niks voor mij. Ik zet de tocht ondanks de aanhoudende kotsneigingen verder. Zou het mezelf nooit vergeven nu op te geven. De piste wenkt.

Ik zit voor de rest van de rit met mijn gedachten al in Roubaix. Nog dertig kilometer. Dat zijn er nog twintig tot de laatste tien. Vanaf daar zal ik op euforie met hoge snelheid richting piste rijden. Hoop ik. De realiteit is anders. De kilometers volgen elkaar in een traag tempo op. Heb ondertussen ook helemaal geen idee meer hoeveel stroken er nog moeten komen.

Goed honderd meter voor de gevreesde Carrefour de l’Arbre verbeter ik mijn record aantal keer wildplassen op één dag. Dat dokkeren op de kasseien is ook voor mijn blaas alles behalve goed. Twee bochten verder volgt dan de Carrefour en een dikke shit. Bijna vergeten dat die nog moest komen. De fans zijn er niet geraakt, maar dat vind ik niet erg: ik kom geen poot meer vooruit.

’t Is nog vijftien kilometer tot de finish. Heb het parcours goed bestudeerd maar mijn geheugen laat mij gelukkig in de steek. Ik weet beter niet dat er nog drie secteurs volgen. Die in Gruson is honderdtachtig kilometer lang, die Hem nog net iets langer. De opluchting bij het zien van het bord van de laatste vijf kilometer is groot.

Ik schakel voor het eerst sinds het Bos weer over naar het buitenblad en probeer zo hard mogelijk te fietsen tegen de wind in. De teller nadert de 30 kilometer per uur, maar het gemiddelde stijgt niet meer. De vooropgestelde 27 is een gemiddelde van 25,5 geworden. En in het centrum van Roubaix zal het door de opeenvolging van rode lichten alleen maar zakken.

De laatste strook is een lachertje. Die net voor het opdraaien van de piste. Ik hou mijn adem in bij het zien van alle mensen en kan alleen maar hopen dat ik bij het nemen van de ultieme bocht niet val. Op de piste zelf raak ik vast achter een trio dat wil poseren voor de foto en hen voorbij rijden durf ik niet. Door de vermoeidheid is mijn techniek niet meer wat ze is geweest.

Ik zie Nikki en onze Pa langs de kant en ons Mama staat een eind verderop. Ik rijd nog een ronde – want zo hoort het – en bal de vuist bij het overschrijden van de finish. Het moment waar ik lang naar heb verlangd. Kicken. En genieten, want ik kom hier nooit meer terug. Dat heb ik mezelf dertig kilometer geleden beloofd. Al is een deel van de miserie op de piste wel vergeten.

N.

Luik-Bastenaken-Luik

Klimmen heeft een heel andere betekenis gekregen. Na Luik-Bastenaken-Luik is de Hoge Jan in Buggenhout plots een stuk platter geworden. La Doyenne is geen meter vlak. Geen meter. Altijd op en af. Dat laatste valt nog mee. Of toch in het begin, of als het droog is.

Na drie keer de Ronde van Vlaanderen was ik toe aan een nieuwe cyclo. Parijs-Roubaix is niet goed voor m’n materiaal en de Amstel Gold Race zegt me helemaal niks. De keuze was dus snel gemaakt: we rijden van Luik naar Bastenaken en terug naar Luik.

De laatste bloeduitslag was niet al te best en dus nam ik de laatste weken naar Luik toe meer rust. Tegen de zin. Schrik dat ik Luik niet meer terug zou zien kreeg ik de dagen voor de tocht al enorm veel zenuwen, maar eens aangekomen is daar gelukkig weinig sprake meer van.

’t Is half zeven en dus is er voldoende tijd om me klaar te maken. De inschrijving verloopt erg vlot, mijn bezoek aan het toilet (zo’n Toi Toi spel) iets minder. Heb al wat koerskleren aan. Dom. Dan maar vertrekken met een paar grammetjes meer. ’t Zijn maar tien hellingen, hé. Die overleef ik daar wel mee.

De kilometers naar het officiële parcours van Luik-Bastenaken-Luik zijn een kleine ramp. Een steile afdaling op kasseien en veertig rode lichten. Een groepje zoeken is het plan, maar door steeds weer te stoppen komt daar tot het uitrijden van de stad niets van in huis.

Een eind verderop, ongeveer aan kilometer dertien, laat ik me toch gewillig inlopen. Niet veel later heb ik echter begrepen dat in groep rijden hier niet heel ideaal is. Bergop rijden er al een hele tros flink door – die rapen we straks wel weer op – en in de afdaling bouw ik graag wat veiligheid in.

Wanneer het plots hevig begint te regenen is het nog een stuk minder gezelliger. En bij de splitsing draaien er een hoop wijselijk af. Ik blijf alleen over met in de verte voor me een groep uit, in de achtergrond alleen maar eenzaten. En hoe hard ik ook mijn best doe: die groep zal ik nooit bijhalen.

Met de regenjas aan gaat het richting Bastenaken, waar onze Papa en Nikki me een nieuw paar (en vooral droge) schoenen bieden. Een luxe die niet iedereen heeft. Ik kan er weer tegen en met de wind in de rug krijg ik weer wat motivatie. De eerste helling ligt inmiddels al achter de rug. En ik heb het niet eens gemerkt.

De wegen lopen in de Ardennen altijd op en af. En dus kom ik pas later tot het besef dat we de Côte de la Roche-en-Ardenne al voorbij zijn. De tweede is andere koek. De Côte de Saint Roch heb ik wél gezien. Een beest van 1.100 meter met een gemiddelde stijging van 11% en pieken tot 20%. De Saint Roch is me 1.100 meter te lang.

Na 140 kilometer kom ik mezelf lelijk tegen. Heb me nochtans niet vergaloppeerd. Gewoon niet goed genoeg. Ik probeer de gedachten op mijn benen af te zetten en te genieten van het landschap, ondanks dat het weer is beginnen regenen. Ik put weer motivatie en voor ik het weet (eigenlijk echt niet) zijn we aan de Côte De Wanne. Een loper.

De hellingen volgen elkaar nu in een sneltempo op. De Côte de Stockeu is een verschrikkelijk ding en net zo erg als de Saint Roch. Nooit meer. Of toch niet dit jaar. Een beetje verder ligt de Côte de la Haute-Levée, een saai stuk, de Col du Rosier, eentje van zes kilometer en de Col du Maquisard, waar de wind mee zit.

Op de Mont-Theux probeer ik de benen te sparen met het oog op de Côte de la Redoute. Sparen zit er echter niet in. Ik voel mijn band achteraan leeglopen. Geluk bij een ongeluk staat onze Pa boven om me te helpen. Een nieuw wiel steken doe ik liever niet. Geef mij maar terug die 27.

De laatste bevoorrading ligt een beetje ongelukkig net voor het monster en dus rijd ik er voorbij. De benen lopen leeg, of zijn dat eigenlijk al. Heb immers al 236 kilometer op de teller staan. Maar La Redoute moet wel meevallen: volgens Matt, mijn trainingsmaat die van thuis uit volgt, moet de wind zo in ’t gat zitten!

Ik draai La Redoute op en probeer mijn 27 te sparen tot het lastige stuk, maar zit wel al op mijn 20. Rustig blijven. Tot na de bocht op de 25. Niet naar boven kijken! Bocht voorbij. 27. Hoe zeg je ‘duw mij’ in het Frans? Logisch denken zit er even niet meer in. Tegenwind. Godverdomme, Matt! De mensen applaudisseren. En ik kom eigenlijk geen poot meer vooruit. Het blijft oplopen. Dat de profs hier nog demarreren? Ik rijd tien per uur, of zo. Hoop ik. Ik ben er bijna. Nog twee te gaan.

Het aftellen is begonnen, hoewel ik dat stiekem al 200 kilometer doe. Het einde is nu wel in zicht. Ik amuseer me wel, maar ik zit tegelijk echt wel kapot. De Côte de la Roche aux Faucons is een vloekfestival. Blij dat ik boven ben geraakt. Die 39×27 is me iets te groot vandaag.

Op de Côte de Saint-Nicolas rijden me er nog een paar helden voorbij. Het einde van mijn krachten. De tijdsopname kan me gestolen worden. Luik is altijd het enige doel geweest. Ik roep nog eens naar Nikki. Hoever is het nog? Ter bevestiging. De lach op mijn gezicht bij haar antwoord is niet meer dan een lelijke grimas meer. Nog zes. En het staat er ook gewoon: nog zes kilometer!

Als het dan ook nog eens in dalende lijn richting het centrum van Luik gaat, weliswaar met opnieuw een paar rode lichten, weet ik met mijn vreugde geen blijf. Die laatste regenbui kan de pret niet bederven, en toch blijft een grote kick negen kilometer (en geen zes, leugenaars!) verder uit. Te moe.

Na 271 kilometer, waarvan 220 solo, is Luik dus weer een feit. Het doel is bereikt. En die medaille is een mooie herinnering. De rest vergeet ik mee te nemen. Nu is een periode van rust welgekomen om de bloedwaarden weer wat op te krikken. Een volgende uitdaging is dus nog niet voor morgen. Maar deze nemen ze me niet meer af.

Niels