Milaan-Sanremo

Milaan-Sanremo

Ik ben helemaal alleen op de Poggio. Matt en Van der Aa achtergelaten aan de voet. Genieten. Maar niet lang. Halverwege komt Matt weer piepen. Shit. Terug op de trappers. Koersen. Die paar mensen langs de kant geloven het bijna niet. Ze roepen. Moedigen ons aan. Of schelden ons uit. Mijn Italiaans is niet goed.

Milaan-Sanremo staat al enkele jaren op mijn to-dolijstje. De lange afstand tot Milaan hield mij lang tegen. Maar afgelopen winter schreef ik mij dan toch in, samen met mijn vrienden. Het is lang wachten op bevestiging uit Italië, maar enkele weken voor het evenement krijgen we dan toch een antwoord: we zijn welkom.

De weg naar Italië is soms moeilijk. Sanremo moet het hoogtepunt van mijn seizoen worden, en dus wil er zo goed mogelijk zijn. En toch ga ik vaker dan andere jaren met veel tegenzin trainen. De Schleck Gran Fondo, drie weken voor de cyclo, geeft mij gelukkig wel een boost: ik ben goed. Hopelijk ben ik dat straks ook op de Poggio. Ik wil er niet naar boven kruipen.

Vertrekken doen we op vrijdagnacht. Matt rijdt tot Frankrijk, ik tot Zwitserland en mijn pa tot ons hotel in Milaan. We zitten met ons vieren, want ook Van der Aa is er bij, iets meer dan veertien uur in de auto. Vermoeiend. Gelukkig is de tocht pas zondag. Al gunnen we ons op zaterdag weinig recuperatie. We kruipen de stad in. Te voet, want de metro begeeft het.

De nacht van zaterdag op zondag is kort. Opstaan doen we om half vijf, om een halfuur later al aan te schuiven aan het buffet. ’t Is druk. We zijn met een kleine 1.000, en dat allemaal in hetzelfde hotel. Logisch, want de start is hier buiten. Na het ontbijt pakken we in. Als het goed is, slapen we vanavond ergens in Frankrijk. Of hangen we ergens tussen onze kader.

Om 6.45u worden we verwacht aan de start. Een opdracht, want iedereen wil op hetzelfde moment met de lift naar beneden. En met fiets is dat één persoon per lift. Wij zitten op het achtste en maken op elke verdieping een ongewilde stop. Matt zal zelfs alle verdiepingen een paar keer zien en pas na tien slopende minuten het gelijkvloers bereiken.

In afwachting van Matt gaan Van der Aa en ik ondertussen met verschillende Chinese toeristen op de foto. Nieuw voor ons. Eens verlost, trekken we naar de start. En daar is het wachten tot 7.20u. Starten doen we in pelotons van 200. De afgelopen jaren waren er te veel ongevallen tijdens de Gran Fondo en dus maakt de organisatie dit jaar geen uitslag op.

De eerste drie uur van de tocht zijn saai. We rijden aan een gemiddelde snelheid van iets meer dan 37 kilometer per uur, en dat op slechte wegen. Het is voortdurend opletten voor putten. En het zijn er veel. We tellen af naar kilometer 125. Daar ligt de eerste officiële bevoorrading. Voor een onofficiële zorgde onze pa al eens onderweg.

De bevoorrading ligt aan de voet van de Passo del Turchino. We zitten met ons drieën goed vooraan, maar weten niet zeker of we zullen stoppen. Wat doet de groep. Stoppen? Doorrijden? Van der Aa en ik zitten een tiental plaatsen achter Matt en laten de beslissing of we al dan niet voet aan de grond zetten, aan hem over. En? Wat doet ‘m? Stop ‘m? ‘m Stopt.

’t Is oorlog. Iedereen wil water en koeken. En zo snel mogelijk. De arme mensen aan de andere kant van de tafel kunnen niet volgen. Gelukkig reden we goed vooraan en zijn we daardoor al snel weer weg. Matts idee. Van een groep is bij ons vertrek helaas geen sprake meer. We staan er op de Turchino alleen voor.

Het duurt even, maar na een paar kilometer klimmen, halen we weer een paar renners in. En zo vormen we al snel weer een groep van een man of tien. Toch heeft niet iedereen zin om te werken. Ook Van der Aa weigert. ’t Is nog ver, zegt hij. Gelijk heeft ‘m, maar als we straks allemaal gaan freewheelen, kunnen we beter stoppen. Hij zal later plooien.

De laatste kilometers van de Turchino zijn nog behoorlijk steil. Matt rijdt er weg en zien we pas in de afdaling weer terug. Daarna draaien we de kustlijn van de Middellandse Zee op. Een prachtig zicht, en dat voor de resterende 140 kilometer. De wind speelt in ons nadeel, maar omdat de temperatuur ondertussen ook al naar 34 graden is gestegen, is dat niet erg.

In Savona, een dertigtal kilometer verderop, hebben we afgesproken met onze pa voor een nieuwe stop. En maar goed ook. Ik zit al sinds de Turchino zonder water. Ik was al een paar keer gaan bedelen bij Matt, wiens bidons nu ook al een tijdje leeg zijn. We vullen bij en grabbelen nog zo veel mogelijk gels en repen mee. ’t Is nog 110 kilometer tot Sanremo.

De volgende 60 kilometer heb ik het verdomd lastig. Het vloeibare voedsel wreekt zich in combinatie met de hoge temperaturen. Kotsneigingen. En Matt ook. Van der Aa is ondertussen wel wakker geworden en rijdt zonder omkijken op kop. Alleen: iets te snel. De teller gaat niet onder de 35 kilometer per uur.

‘Ik neem niet over aan deze snelheid’, roep ik ‘m toe. En dus sla ik een paar beurten over. Ik kan ook even niet. Wanneer het dan toch aan mij is, laat ik het tempo subtiel zakken. Tot hij weer aan de beurt is. Het lijkt alsof hij nog geen trap heeft gegeven. Misschien is dat ook wel zo. Tot we de Capo Mele opdraaien.

Plots staat Van der Aa volledig stil. Het verhaal van de man en zijn hamer. Op de top ligt een nieuwe bevoorrading. Kunnen we nog heel even op adem komen. De kotsneigingen trekken weg. En maar goed ook, want ’t is nog 50 kilometer. De Capo Berta, de Cipressa en de Poggio zijn nog de enige obstakels. Heel veel zin in, ondanks opkomende pijn in de benen.

’t Is opletten. Niet alleen qua doseren, maar ook op het verkeer. ’t Begint steeds gevaarlijker te worden. In Italië betekent een rood licht dat je mag doorrijden, indien je denkt dat je toch sneller bent dan degenen die van links of rechts komen. En inhalen in blinde bochten is ook geen probleem. Geen wonder dat de organisatie de wedstrijd geschrapt heeft.

We blijven met ons drie achter elkaar fietsen. Soms met een ei in de broek. We zien gekke dingen. Straks heelhuids over de streep rijden, is het doel. Maar eerst nog over die hellingen. De Capo Berta is een opwarmer voor de Cipressa, en doet pijn. Matt rijdt weer weg. Een helling verder begint Milaan-Sanremo pas echt. Vanaf daar zet ik thuis de televisie op.

Van der Aa lost al snel en kan niet anders dan zijn eigen tempo te kiezen. Ondertussen zitten de krampen al tot achter zijn oren. De Cipressa is ook voor hem helaas zes kilometer lang. Ik zet me in Matt zijn wiel en probeer te volgen. Gaat makkelijker dan gedacht. Hij is nochtans de betere klimmer. Misschien spaart hij zich wel om te springen op de Poggio?

Maar onderweg daar naartoe, voel ik dat ook Matt zijn benen stilaan leeglopen. Matt neemt nog wel over, maar met moeite. Misschien beschik ik dus nog wel over de beste benen. Van der Aa ziet af. Samen naar boven rijden is geen optie meer. Wil ik ook niet. Ik wil zo hard mogelijk gaan. Daar heb ik vaak met tegenzin voor getraind.

Kilometer 288. Het is zo ver. We draaien rechts af. De Poggio. Een verwaarloosbare knik van vier kilometer, met een hoogteverschil van, ocharme, 150 meter. Maar na die afstand toch wel zwaar. Van der Aa parkeert. En ook Matt moet passen. Ik geloof het eerst niet. Kijk een paar keer om. Heb de neiging om te wachten, maar wacht niet.

Ik versnel. Ben helemaal alleen op de Poggio. Geweldig. Ik bezorg verschillende andere deelnemers een verkoudheid. En het spijt mij niet. Ik fiets op euforie naar boven. De pijn vergeten. Tot ik halverwege omkijk. Shit. Matt. Hoe kan dat? Tand groter schakelen. En opnieuw versnellen. Spurten. Hem niet laten terugkomen.

Ons duel duurt een dikke kilometer. Maar ik verlies. In de hoop om straks nog eens te gaan, laat ik Matt terugkeren. Had hij anders misschien ook wel gedaan. Maar eens Matt de aansluiting gevonden heeft, is het enkel door adem tekort dat we niet in de lach schieten. De gezichten van die mensen net gezien? Ze geloofden ons bijna niet.

Bang om met een geweldige kater naar huis te gaan, blijven Matt en ik allebei zitten. Samen naar boven. Elkaar goed in het oog houdend. Hij zou maar moeten durven. Maar hij durft niet. Of kan niet meer. Ik zit nochtans klaar. Maar er gebeurt niks. Is dat de ultieme bocht naar links? Dat is ‘m. We zijn boven. Samen. ’t Is goed zo. Hey, we gaan het echt doen, hé?

Boven wachten we op Van der Aa. Daarna is het in dalende lijn richting naar wat voor ons de Via Roma moet zijn. De Via Roma zelf is te druk. Niet haalbaar. Eens beneden volgt een bord met het cijfer één. De laatste kilometer. Als het goed is, komen we dan uit op 295 kilometer. Maar zin om er nog vijf bij te doen, hebben we niet meer. 295 is ook goed.

Nog 250 meter. Niet naar links, waar de profs afdraaien, wel rechtdoor. Er staat een blauwe boog en er wachten tientallen supporters. Geen Chinezen hier. Wel onze pa. We gaan met z’n drieën naast elkaar rijden en laten ons bollen. Geweldig gevoel. We hebben net Milaan-Sanremo gereden! We krijgen applaus. Hebben we verdiend.

Uiteindelijk zitten Matt, Van der Aa en ik net geen negen uur op de fiets. Goed voor een gemiddelde snelheid van 33 kilometer per uur. We krijgen nog een medaille, bellen nog eens naar het thuisfront en kruipen dan in de wagen. Er wacht nog een verplaatsing van 200 kilometer naar Aix-en-Provence. En morgen een dikke 1.000 richting België.

Milaan-Sanremo stond al jaren op mijn to-dolijstje. Het was de laatste voorjaarsklassieker die nog ontbrak. Ik mag ‘m nu schrappen. Wat de volgende uitdaging moet worden, weet ik nog niet. Mijn seizoen zit erop en fietsen zal ik nu doen wanneer ik er zin in heb. Maar eens in december zal er toch weer iets gaan kriebelen.

N.

Geef een reactie