Glimp naar beneden. Naar het uur op mijn computertje. En een halve minuut later opnieuw. Een halfuur kan verdomd lang duren. Ik sta aan de start van de eerste Schleck Gran Fondo, in Mondorf-les-Bains, in het zuiden van Luxemburg. We zijn met 1.100 deelnemers, daarvan 1.000 en een beetje in mijn rug. Ik sta dus goed vooraan. Het zou niet lang duren. Weet ik dan nog niet.

Om half tien geeft ex-renner, en organisator, Fränk Schleck het startschot. Onmiddellijk gaat het van nul naar vijftig kilometer per uur. Een halfuur aan een stuk. Ik kan goed sturen, maar ben nerveus en wil vooral niet tegen de grond gaan. Bij elk manoeuvre zoek ik naar de rem en verlies ik een plek of tien. Het duurt niet lang voor ik aan de staart hang.

Na 20 kilometer volgt de eerste beklimming. Eindelijk. Naar boven. En opschuiven. Sommigen vergeten te schakelen. Ik hoor knieën kraken. Stilstaan. En terug optrekken. Zit hier niet op mijn plaats. Ik maak gelukkig snel weer plaatsen goed. Maar in welke positie ik fiets, zal ik de rest van de rit nooit weten. Speelt voor mij ook geen grote rol.

De bevoorradingen onderweg rijden we aan een hoge snelheid voorbij. ’t Is koers hier, geen toertocht. Maar 162 kilometer zonder bevoorrading gaat ook niet. En dus heeft iedereen onderweg wel iemand langs de kant staan. Ik ben geen uitzondering. Mijn vriendin Sofie en mijn ouders rijden van punt naar punt, om mij van drank en sportrepen te voorzien.

Mijn dank is groot.

Na 80 kilometer zijn we halfweg. Ik zit nog steeds in dezelfde groep, al is ze ondertussen een stuk kleiner geworden. Op elke beklimming haken meerdere renners af. Een afvallingskoers. Ik houd goed stand en heb eigenlijk meer moeite om te volgen wanneer het naar beneden gaat. Maar ik overleef. Tot de maag moeilijk gaat doen.

Omdat ik bang ben om te weinig te drinken, ga ik juist het tegendeel doen. En dat misschien iets te veel. Ik krijg last van de maag en zal een uur lang geen bidon meer aanraken. Ook niet goed. Ik moet eigenlijk dringend naar toilet, maar dat kan natuurlijk niet. Ik zit in een goede groep en nu loslaten zou heel jammer zijn.

Maar ik verlies. Op kilometer 130 kan ik echt niet meer. De broek gaat naar beneden.

Ik sta een dikke minuut aan de kant. En dan is er opluchting. Ik kan weer. Weg last. En weer die fiets op. Direct klimmen. Misschien heb ik niet de meest ideale plek uitgekozen, maar ’t was daar of in de broek. Ik zie mijn groep in de verte rijden en probeer meters goed te maken. En dat lijkt ook te lukken.

Eens helemaal boven kom ik op een twintigtal seconden. Ongeveer. Heb niet zitten tellen. Het moet zoiets zijn. Sofie en mijn ouders was ik tijdens de klim gepasseerd, zonder bidon aan te nemen. Ik had er nog, waar ik al een uur niet van had gedronken. Wisten zij natuurlijk niet. En dus komen ze met de wagen plots naast mij gereden.

“Bidon?”

Ik vertel in vijf woorden wat er is gebeurt. En dat ik gewoon terug naar de groep wil. Maar ik krijg het laatste gaatje niet dicht. En dus doe ik wat ze op televisie ook doen: een bidonneke aannemen. Ik rijd een kilometer achter de wagen en sluit (met rode wangen) weer aan bij de groep, die ondertussen maar een man of 20 meer groot is.

In de laatste 20 kilometer liggen nog drie beklimmingen. Er volgen een paar versnellingen, maar niemand rijdt ver weg. Het is koers in de koers. Niemand heeft echt een idee voor welke plaats we rijden, maar dat lijkt niet zo veel uit te maken. Voor mij ook niet. Ben niet naar hier gekomen voor een uitslag. En toch kan ik het mij niet laten niet mee te koersen.

Na de laatste klim volgt een afdaling die ons naar de laatste kilometer brengt. Ik demarreer voor de top en probeer zo de groep achter mij te houden. Lukt natuurlijk niet. In de afdaling ben ik een vogel voor de kat. Op iets meer dan een kilometer van de streep komen ze weer terug. We gaan sprinten.

Net zoals in ‘t echt zien we om de 100 meter de bordjes passeren. Ik ga op die van 300, heb ik me voorgenomen. 500. 400. 300. Nu gaan! De anderen dachten precies hetzelfde. Ik geef alles en rij als vierde van mijn groep over de streep. Wat het uiteindelijk waard is, weet ik pas een dik uur later. Ik ben 329e.

Ik kwam zonder veel verwachtingen naar Luxemburg, maar ga wel met een goed gevoel weer naar huis. De cijfers die we haalden, haalde ik nooit eerder: 162 kilometer, 2.250 hoogtemeters en dat aan een gemiddelde snelheid van iets meer dan 35 kilometer per uur. Ik ben klaar voor Milaan-Sanremo, straks op 11 juni. Mijn hoogtepunt dit seizoen.

N.