Zilver is ook mooi

Pijn in de benen. Opkomende krampen. Hoe lang is de Croix nog? Misschien is het niet eens zo slecht dat ik het parcours maar half heb bekeken. Het antwoord zou geweldig kunnen tegenvallen. Een glimp naar de teller. Een gemiddelde snelheid van 25,5 kilometer per uur. Heel veel marge heb ik niet meer. Goud gaat straks moeilijk worden.

Op zoek naar nieuwe fietsdoelen, was ik vorig jaar in augustus na een vakantie in de Vogezen uitgekomen op Les 3 Ballons. De lange afstand van 215 kilometer maakt me niet meer bang, wel de hoogtemeters: 4.200. Hoe moet ik me daar in mijn streek op gaan voorbereiden? Hier ligt geen Ballon, laat staan een grote.

Na de knieproblemen in januari, waardoor ik maar met een halve conditie de Ronde van Vlaanderen overleefde, moest juni wel een haalbare kaart worden. In mei trainde ik dan ook iets harder dan anders voor wat straks de meest lastige rit uit mijn leven zou moeten worden. Of tot nu toe. En met succes. Ik vertrek naar Frankrijk in mijn best mogelijke conditie.

Dat er opnieuw een beetje vocht in de knie is gekropen doet me in de aanloop naar wel weer een beetje twijfelen. Ik slik ontstekingsremmers en doe het de laatste paar dagen rustig aan. Een gouden medaille – die je krijgt wanneer je de tocht binnen de 9 uur kan afwerken – was het doel. Ik kan alleen maar hopen dat de knie er geen stokje voor steekt.

Samen met Matt en zijn tante Marijke logeren onze papa en ik in een chalet in Saulxures-sur-Moselotte, op zo’n 50 kilometer van de start in Luxeuil-les-Bains. De wekker loopt af om 4 uur om een laatste portie pasta naar binnen te spelen. De zoveelste al deze week. Daarna vertrekken we, want de start is om 7.15u. We komen om half zeven toe.

Schoenen aan. Helm op. En de regenjas aan, want het regent. Alles bij elkaar verliezen we al snel een kwartier. En door de zenuwen is een laatste sanitaire stop ook zeer nodig. ’t Is er aanschuiven in een donkere gang van een verouderd sportstadion. Hygiëne is nu niet belangrijk. Gewicht is vandaag alles. En dus persen we er graag nog eens alles uit. Sorry.

Dan gaat het richting start. Een goede positie afdwingen is een hopeloze zaak geworden. Er staan er zeker 1.000 voor ons, als het er niet meer zijn. Geen ramp voor mij, wel jammer voor Matt, die zich toch wat wil mengen in de wedstrijd. En ondanks onze slechte startpositie zal hem dat ook wel een beetje lukken. Alleen zal het geluk Matt de rest van de dag weinig mee zitten.

Eens vertrokken gaan we elk onze eigen weg. ’t Is zoeken naar een groep met een aanvaardbaar tempo. En door de massastart is dat eigenlijk niet zo moeilijk. Na een paar kilometer sluit ik aan bij een groep die me aan een gemiddelde snelheid van 35 kilometer per uur naar de voet van de Cote Faucogney brengt.

De Faucogney is niet meer dan een opwarmer voor de Col des Chevrères. Een steil ding waar ik het bestaan niet van af wist. Toen Matt, Marijke en onze papa gisteren het parcours bestudeerden zat ik in de zetel te kijken naar de Dauphiné. Niet helemaal onbewust. Misschien is het beter dat ik niet precies weet wat er komt.

Het klimmen gaat behoorlijk en de knie doet voorlopig niet moeilijk. De afdaling daarentegen gaat een stuk moeizamer. De wegen liggen nat en risico’s neem ik liever niet. Dat heb ik ook thuis beloofd. Sowieso zal het gemiddelde wel stijgen wanneer het naar beneden gaat, ook al ga ik wat vaker in de remmen. Anderen hebben het niet begrepen. Ik zie gekke dingen.

Aan de voet van Ballon d’Alsace, na 65 kilometer, heb ik het gevoel dat ik er echt aan begonnen ben. De Ballon brengt ons naar een hoogte van 1.247 meter. Eens boven zie ik onze papa, die me een bidon aanreikt en me aanmoedigt. Ook voor hem is dit genieten, ook al mist hij door de hevige mist wel een fantastisch uitzicht.

Het doel is nog steeds goud en dus is stoppen uit den boze. Alleen beslist de blaas er anders over. Een stop van een minuut duurt me veel te lang. Door de koude in de afdaling moet ik iets verder opnieuw aan de kant om mijn regenjas aan te trekken. En dan voorzichtig verder. Naar de volgende. Dat moet Le Grand Ballon worden.

Op kilometer 100 zie ik voor het eerst, en tot mijn grote verbazing, Matt weer terug. Hij staat aan de kant met een platte band. Mijn aanbod om te helpen slaat hij snel af. De afleiding zorgt er wel voor dat ik het bord met de naam van de volgende beklimming mis. Maar dat moet nog altijd Le Grand Ballon zijn. Alleen: ’t is hem niet.

Met rode wangen vraag ik in groep op welke beklimming we zitten. Hunsruck, krijg ik in koor terug. In de Vogezen wordt vandaag uiterst Vlaams gesproken. De Hunsruck is iets meer dan 8 kilometer lang – wat een tegenvaller – en brengt ons daarna naar de lang verwachte Grand Ballon. Het hoogtepunt van de dag. Ik doe in mijn broek.

In de afdaling van de Hunsruck is Matt weer komen aansluiten. Hij zal aan de voet stoppen bij zijn tante om zijn nieuwe band op te pompen. Ik vang er enkel een bidon en kom pas na enkele kilometers klimmen tot het besef dat ik eigenlijk door mijn voorraad energierepen zit. Gelukkig komt Matt halverwege Le Grand Ballon – trouwens 16 kilometer lang – weer terug.

‘Çava?’

‘Çava.’

‘Kunt ge een reep missen?’

Waarop Matt in zijn achterzak gaat tasten en mij gelukkig kan bevoorraden.

‘Rij nu maar door.’

Ondanks z’n fel opgelopen achterstand laat Matt de moed niet zakken. Het duurt ook niet lang voor ‘m weer uit het zicht verdwenen is. Ik hoop dat ik hem niet meer terug zie. De resterende kilometers van Le Grand Ballon – met een hoogte van 1.424 meter de hoogste in de Vogezen – leg ik voornamelijk solo af. ’t Is er ieder voor zich.

Door de mist, hier nog meer dan op Ballon d’Alsace, zie ik in de laatste drie kilometer nog amper tien meter voor me uit. Heel vreemd. Uiteindelijk doe ik een uur en zeven over het monster. Boven stop ik bij de bevoorrading van de organisatie waar een Fransman mij energierepen en energiegels toestopt. En de regenjas gaat aan. ’t Is er een graad of zes.

De lange afdaling is door de lage temperatuur alles behalve aangenaam. Opnieuw neem ik geen risico’s. In een van de eerste bochten naar beneden zie ik al twee renners in een brancard liggen. En dus zien de remmen nog wat meer af. Helemaal beneden stop ik nog maar eens bij papa en Marijke, bij wie Matt net weer vertrekt.

Ik vraag een nieuw shirt en regenjas. En doe toch nog maar een paar repen. Je weet maar nooit. Ik maak er ook meteen een nieuwe sanitaire stop van. Ik kijk niet eens om. Van gêne is geen sprake meer. Goud, hè. Alles moet snel gaan. Wanneer de blaas leeg is vertrek ik richting de Col d’Oderen, waar ik een dreun krijg. Op vakantie vorig jaar was deze geen 7 kilometer lang.

Een nieuwe glimp naar beneden. Gemiddelde snelheid: 25,1 kilometer per uur. Mijn marge is bijna op. Met al mijn stops er bij zit ik er wellicht al onder. En ik moet nog 60 kilometer. En over de Col des Croix, weet ik. Misschien moet ik dat goud stilaan uit mijn hoofd zetten. Zilver is ook mooi. En dan komt papa plots naast me gereden. ‘Matt gaat stoppen.’

Helemaal onderkoeld moet Matt noodgedwongen opgeven. In de afdaling van Le Grand Ballon kon hij door de koude amper nog sturen. Nieuwe kledij aan de voet kwam te laat. De koude had hem al te pakken. Op de top van de Col d’Oderen zit zijn Les 3 Ballons er helaas veel te vroeg op. Godverdomme.

We hebben hier samen lang naar uit gekeken. En ik maak het straks af en hij niet. Hoe moet ik hem vanavond aanspreken? De Col de Menil maak ik niet echt bewust mee. Op de Col de Croix iets verderop is mijn concentratie wel weer terug. Ik voel steeds meer pijn in de benen en opkomende krampen.

Na een dikke kilometer passeert er een groep. Ik probeer aan te haken. Eens we boven zijn is het gedaan. Dan gaat het naar beneden richting aankomst. Als ik de groep kan volgen en in de afdaling stand kan houden, is goud weer een optie. Ik trek lelijke gezichten om niet te breken. Op de top is mijn achterstand 50 meter, maar ik kom terug.

Er gaat een duim richting papa, die ondertussen met de auto gewoon volgt en niet meer van punt naar punt rijdt. Het deelnemersveld hangt zodanig uit elkaar dat hij niemand meer zal hinderen. Mijn enthousiasme is echter van korte duur. Plots draaien we rechts een stevige muur op. Het begin van enkele plateaus die samen nog goed zijn voor 500 hoogtemeters.

’t Is vloeken. Dit had ik niet meer verwacht. Steile dingen. En alsof het nog niet moeilijk genoeg is begint het ook nog eens hard te regenen. Stoppen om de regenjas weer aan te trekken doe ik niet meer: de klok blijft tikken. Ik rijd zo hard als ik kan. En tot mijn verbazing rijd ik ook weg uit de groep die me net nog te pakken had op de Croix.

In de afdaling ga ik door de gladde wegen bijna uit de bocht. Ik kan me nog net corrigeren. Eens beneden zijn we ook echt beneden. Ik maak m’n zakken leeg en speel alles naar binnen wat ik nog heb zitten. En dan volgt het bord van de laatste 20 kilometer. Het geeft me een boost. Op euforie naar kilometer 200. En erover.

Ik haal een nieuwe groep bij en ga meteen naar de leiding. We rijden aan een gemiddelde van 35 kilometer per uur richting Raddon-et-Chapendu. In de nog steeds gietende regen. De benen staan op springen. We draaien nog behoorlijk rond en wanneer het niet mijn beurt is neem ik voor het eerst de tijd om een beetje te rekenen.

In principe is het niet moeilijk. Negen uur is negen uur. En negen uur is goud. Basta. Maar door de verschillende stops, de vermoeidheid en rekening houdend met pech die nog volgen kon, was goud nooit helemaal zeker. Tot nu. In de laatste kilometers besef ik dat het uiteindelijk relatief makkelijk gaat lukken. Ik weet met mijn geluk geen blijf.

In de slotkilometer gaat de spanning van de benen. Genieten is dit. Ondanks de regen. Ik ben er. Na 8 uur en 29 minuten. En een gemiddelde snelheid van iets meer dan 25 kilometer per uur. Er volgt een gouden medaille, een diploma en een omhelzing met de papa. Fantastisch gevoel. Al zit ik met mijn gedachten ook al bij Matt in Saulxures-sur-Moselotte…

N.