Vorig jaar had ik mentaal al een beetje afscheid genomen van mijn Ronde. Vijf is een mooi aantal. Op naar andere doelen. Maar in november begint het toch weer te kriebelen. Wist ik toen veel dat ik in januari amper op de fiets zou zitten. Eind december kom ik ten val met de mountainbike en loop ik een kneuzing op aan de knie. Dag Ronde.

Januari is een hel. Uiteindelijk zit ik amper vijftien uur op de fiets. Ik mag enkel losrijden. Geen kracht zetten. In februari doe ik stiekem al iets meer dan wat ik mag. Tegen beter weten in. En in maart krijg ik licht op groen om al iets langere afstanden te fietsen. Een rit naar de Muur van Geraardsbergen en terug: helemaal kapot ben ik.

Gent-Wevelgem, een week voor de Ronde, is mijn enige echte en laatste training richting Brugge. 220 kilometer. Ben ik eigenlijk niet klaar voor. Mijn kaars is uit op meer dan 100 kilometer van de aankomst, maar ik kom wel aan. Het stelt mij een beetje gerust. Een week later moet dat ook wel lukken. Al is de Ronde van Vlaanderen wel een stuk zwaarder.

Gelukkig rij ik ‘m niet alleen. Matt had vorig jaar de domme belofte gemaakt om de Ronde te rijden. Als hij terug zou komen uit blessure, tenminste. Hij kwam terug. En ik was zijn belofte natuurlijk niet vergeten. Matt heeft een zware degout van kasseien. Klinkers bombardeert hij op training al snel tot Carrefour de l’Arbre. Hij moet slecht geslapen hebben deze week.

Ook Matthias, Kimpe, voor ons, doet mee. Hij is Matts tegenpool wat de kasseien betreft. En dus staan we met drie van onze ploeg aan het Jan Breydelstadion in Brugge. Een eerste obstakel voor Matt, supporter van Anderlecht, die het stadion van Club Brugge overdreven vindt voor een tweedeklasser. We kunnen er niet snel genoeg weg zijn.

Het gaat meteen richting de markt van Brugge, waar de profs morgen vertrekken. ’t Is er zwalpen tussen de massa. Eens vertrokken is het net zoals de afgelopen jaren zoeken naar een groep die ons zo ver mogelijk brengt zonder al te veel energie te verbruiken. Geen moeilijke opdracht met zo’n 4.000 fietsers die aan de langste tocht zijn begonnen.

In tegenstelling tot andere jaren tellen de kilometers nu helaas wel. Na 100 kilometer voelt het ook effectief alsof ik 100 kilometer gereden heb. En we hebben nog geen helling gezien. Na de tweede bevoorrading zien we onze papa en mijn jongste zus Nikki, die traditiegetrouw ons op enkele plaatsen zullen opwachten.

We ruilen onze winterjas voor een langemouwenshirt en kunnen weer verder. Als de weersvoorspellingen kloppen, moet het straks meer dan vijftien graden worden. Maar de zon verdwijnt eens we de Vlaamse Ardennen bereikt hebben en warmer dan tien-elf graden wordt het helaas niet meer.

De eerste helling is de Wolvenberg. Officieel na 108, maar op onze teller toch pas na 116 kilometer. Ik laat er mijn ploegmaats al snel gaan. Iets wat ik de rest van de dag zal moeten doen. Op de Molenberg kom ik als tweede boven. Zelfs met een mindere conditie moet ik Matt op de kasseien achter mij kunnen houden.

Op de Paddestraat neemt Matt mij dat laatste weer af. Alsof hij nooit anders heeft gedaan, rijdt hij vlot over de kasseien aan hoge snelheid. Geen momentopname, bewijst hij ook op de Haaghoek en na het koppel Berendries en Valkenberg ook op de Eikenberg. De klootzak heeft ons al die jaren goed liggen. Een mentaal tikje. En de Koppenberg moet nog komen.

Richting het monster denk ik terug aan vorig jaar. Alstublieft, zet mij niet opnieuw te voet. ‘Als jullie boven raken, en ik niet, ga ik mij heel slecht voelen’, ben ik heel eerlijk tegen de ploegmaats. We wensen elkaar succes en veel geluk, want daar komt het tussen de massa toch vooral op aan.

De drukte is er enorm. Dit lukt niet. Niet nadenken, Niels. Matt en Kimpe rijden links weg. Eigen tempo en voorzichtig sturen. Niet naar rechts wenken. Daar ligt modder. Ik kijk op. Waar ben ik? Nog niet ver genoeg. Trappen. Schakelen. Gaat niet meer. Hij ligt al op de 27. Heel veel mensen langs de kant. ’t Is net zondag. Het steilste stuk moet gaan komen.

Opstopping dreigt. Nee! Heel even voet aan de grond. En meteen terug de pedaal zoeken. Bam. Van de eerste keer er opnieuw in. Matt en Kimpe staan te voet. Ik passeer. Ze roepen. ‘Komaan Niels!’ Ik wel, zij niet. Op geluk. Het steilste stuk overwonnen, maar ik ben er nog niet. Ik roep, niet heel beleefd. ‘Weg! Rechts! Ga naar rechts!’

Mama staat aan de kant. Wist ik op voorhand niet. Leuk moment. Vorig jaar stond ik hier nog te voet en met een gezicht tot op de grond. Nu passeer ik haar, nog steeds op de fiets. De laatste 200 meter van de Koppenberg leg ik af met een brede glimlach. Geweldig! Althans, voor mij. Na de Steenbeekdries en net voor de Taaienberg komen we weer samen.

Deze zijn al overwonnen. Maar alleen op een beetje euforie raak ik niet aan de finish. Op de Kanarieberg en de Kruisberg is het harken. En ook de Karnemelkbeekstraat is dit keer buiten categorie. De benen zitten helemaal vol. In de afdaling richting Oude Kwaremont neem ik een lichte voorsprong, maar nog voor de kasseien ben ik eraan.

Ik weet niet waarom, maar het klikt gewoon niet tussen de Oude Kwaremont en ik. Ik doe ‘m niet graag. En toch gaat het lang zo slecht niet als dat ik verwacht had. Matt en Kimpe rijden al snel weg en zal ik pas terugzien op de top van de Paterberg. Maar eerst dit dus. En mede door de aanmoedigingen van mama en Nikki op het plein ben ik er nog relatief snel vanaf.

Daarna gaat het links op de steenweg richting Paterberg. Een kleine twee kilometer verder. De laatste van vijftien hellingen. De steenweg voorbij gaat het weer links naar de afdaling die ons naar de voet brengt. Ik passeer er aan hoge snelheid verschillende mensen die mij op het ding eventueel nog zouden kunnen hinderen. En dan is de ultieme bocht naar rechts er heel snel.

Er volgt een spurt van 400 meter op de kasseien. Het stelt niet veel meer voor. 9 kilometer per uur. ’t Is pompen. Kots neigingen. Lastig ding na 223 kilometer. Blijven gaan en vooral niet stilvallen op het steile stuk. Ook hier veel mensen langs de kant. Kicken. ’t Gaat weer lukken. Onze papa geeft mij nog een laatste zetje, maar ’t is eigenlijk niet nodig. Ik ben er! Wij zijn er!

De ploegmaats hebben boven gewacht. Ik had hen onderweg al tien keer gezegd door te rijden, maar ze willen samen finishen. Geweldig. Of er nog iets in zit? Eigenlijk niet. Maar in ’t wiel moet het wel lukken. Matt zet zich op kop. Iets later neemt Kimpe over. Godverdomme, nu moet ik straks ook. Mijn twee beurten zijn heel bescheiden.

Eens de rode vod voorbij laten we gaan. We zijn er, na iets meer dan acht en een halfuur op de fiets. 235 kilometer. Ons doel bereikt. Gemiddelde snelheid: 27,4 kilometer per uur. Niet slecht. Vooral de verdienste van mijn twee ploegmaats. Of dit de laatste was? Ik durf het niet meer te zeggen. Maar waarschijnlijk niet.

N.