Een week na het wereldkampioenschap voor journalisten sluit ik mijn seizoen af op het wereldkampioenschap van Lebbeke. Of zeg maar kampioenschap. Na mijn tweede plaats van vorig jaar hoop ik dit keer op winst en dus ook om mijn titel in mijn leeftijdscategorie te verlengen. We staan aan de start met een stuk of 30. Heel groot is Lebbeke niet.

In de editie van vorig jaar leerde ik Koen kennen. Nu trainen we geregeld samen. Koen sukkelt met een spierziekte en is actief in het paracyling. Nog twaalfde op het WK in Zwitserland begin augustus. Twee plaatsen beter dan ik op mijn WK afgelopen week. Ga het nog lang mogen horen. We hopen straks samen op het podium te staan.

Iedereen kent elkaar ondertussen een beetje en dus zijn de twee verplichte ronden achter de wagen een stuk minder onaangenaam dan vorig jaar. Na de echte start volgen meteen een paar demarrages. Bart (de klootzak die mij vorig jaar klopte) en Joachim (ook een gevaarlijke klant) proberen het tevergeefs.

Ik probeer mij koest te houden en weinig of geen energie te verspillen. Een echte tactiek heb ik niet. Het parcours is – hoe kan het ook anders – helemaal vlak en de wind blaast in de laatste drie kilometer volledig in het nadeel. Sprinten dus? Waarschijnlijk. Dan moet ik wel afrekenen met Bart. Maar ik heb geen schrik voor hem.

De ronden gaan snel voorbij. En elke keer herhaalt hetzelfde scenario zich: met de meewind wordt er – uiteraard – hard gereden, waarna iedereen zich spaart voor het stuk tegenwind naar de aankomst toe. Daar is ’t ook elke keer hard rijden. David zijn schuld. Hij plaatst er ronde na ronde een demarrage.

Ik kan het niet laten om niet te reageren. Ik moet reageren. David is een van de kanshebbers. Op Strava (een website waar wij wannabe’s onze trainingsritten vergelijken) ben ik elke keer onder de indruk van de gemiddelde snelheden die hij haalt. En dus is hij iemand die ik absoluut niet alleen mag laten wegrijden. Iedereen, maar niet hij.

Met mijn actie breng ik telkens de rest van de groep weer mee. Daarna is er weer een ronde gepasseerd en komt die laatste weer een stuk dichter. Ik probeer het zelf ook een paar keer, maar ofwel zit iedereen direct in het wiel ofwel raak ik even alleen voorop. En met die wind is dat absoluut geen sinecure.

In de laatste ronde zijn we nog met een stuk of 20. Ik laat me uitzakken en Koen komt naast mij gereden. ‘Ik hoop dat ik ga uitrijden’, zegt hij. ‘Tuurlijk gaat ge uitrijden. Ga naar voor, blijf daar en ga voor het podium.’ Mijn woorden zijn amper uitgesproken of Koen trekt naar de kop van de groep. Om te demarreren. Godverdomme. Lefgozer.

Koen neemt in zijn slipstream David op sleeptouw. Die neemt vervolgens over en gaat een stuk sneller fietsen. Iets te snel voor Koen. Hij moet passen. Dat het een sprint zou worden, was ik nu al even van overtuigd. Met een late uitval geen rekening meer gehouden. Niemand die het zou volhouden. Of David, ja. David misschien. Shit.

In de groep gaat het nog enkel tussen Bart en mij. De rest doet eigenlijk – met alle respect – niet meer mee. Al is David wel vliegen. Een seconde of tien moet hij hebben. Mede dankzij getreuzel bij ons maar ongetwijfeld ook door een paar sterke benen. ’t Is nog amper twee kilometer. Lichte paniek. Ik ga naast Bart rijden.

‘Kom. Jij en ik.’

‘Nee.’

Bart is koppig. En dus ben ik maar koppig terug. Jij niet: ik ook niet. Ik weet dat wanneer ik me recht zou zetten hij meteen op mijn wiel zou springen. Om dan niet over te nemen. En dus zit er weinig anders op dan gokken. Geweldig gokken. En roepen. Op anderen. Komaan, mannen: rijden! En ze doen het ook.

David is ondertussen bezig aan een straf nummer. Ik voel mijn kansen slinken. Met nog een kilometer te gaan geloof ik er zelfs niet meer in. Harder, mannen! Komaan! Hij valt stil! We gaan ‘m nog pakken! Bullshit, vrees ik, maar het motiveert sommigen wel. Op goed 500 meter van het einde begint de sprint naar de sprint en zet ik me in Bart zijn wiel.

Bart zet zijn sprint van ver aan. In de hoop om David alsnog te pakken. Ik reageer een fractie van een seconde later en zit niet meteen in het wiel. Maar ik ga hard. Heel hard. En toch niet hard genoeg. Ik kom er niet. Bart is gewoon iets sneller dan ik. Dan toch. Ik strand op een fietslengte van Bart en die op zijn beurt in het wiel van David.

En dus ben ik derde. Niet eens tweede. Maar ik kan er mee leven. Met mijn derde plaats verleng ik ook mijn titel, want ik ben de eerste uit mijn categorie. En dus mag ik opnieuw een aantal keer het podium op. Helaas zonder Koen. Twaalfde overall en vierde in onze categorie. Sterk en zonde tegelijk. Dikke kak. Ik denk dat ik er meer mee zit dan hij.

N.