Weg droom

Er moeten serieuze accidenten gebeuren wil ik wereldkampioen worden bij de journalisten. Een ereplaats is realistischer. Door een blessure aan de knie en de vele kilometers die ik daardoor minder kon maken doen mij hopen op een plaats tussen de elf en de vijftien. Al moet ik toegeven: ik droom van een beetje meer.

Het wereldkampioenschap vindt dit jaar plaats in Oudenaarde. En dus ben ik er vijf jaar na Lierde opnieuw bij. Een uitstap naar Oostenrijk of Slovenië had ik financieel gezien voor een regenboog de afgelopen jaren niet over. Maar nu is ’t dus aan België. We staan aan de start met ruim 70 deelnemers uit 16 verschillende landen.

De organisatie brengt ons via een neutralisatie uit het centrum van Oudenaarde richting een ronde van vijftien kilometer die we vijf keer zullen afleggen. Na de officiële start volgt meteen de Volkegemberg, een berg dus, en daarna is ’t dokkeren op de kasseien van de Holleweg. Een regenboog krijg je niet zomaar.

’t Gaat op de Volkegemberg meteen hard. Heel hard. 30 kilometer per uur. En buitenblad, natuurlijk. Afzien. Nu al. Wanneer we bijna boven zijn volgen ook nog eens kasseien. Omdat moeilijker kan. Gelukkig staan er geen dranghekken in het gootje. En de supporters houden ze nog eens vrij ook. Ze staan hier met veel. Ze roepen en toeteren ons vooruit. Precies echt.

Ondanks geen heel slecht gevoel hang ik nu al aan ’t staartje van ’t peloton. Op de Holleweg probeer ik daarom op te schuiven. Het dokkeren gaat mij beter af dan het naar boven rijden. Ik overleef de eerste passage en zal dat ook een tweede keer doen. Maar ik blijf wel realistisch. De deur staat achteraan open en maakt slachtoffers. Ik doe niks meer dan nodig.

Ondertussen zijn er wel twee vogels gaan vliegen. Een Nederlander en een Spanjaard. Hun voorsprong is een seconde of twintig. Ik maak me absoluut niet druk en ben niet van plan om op kop te gaan rijden. Een Duitser probeert mij echter op andere gedachten te brengen en komt naast mij gereden.

‘Waarom rijd jij niet?’

‘Ja… waarom rijd jij niet?’

Alsof het nooit in hem was opgekomen trekt de Duitser naar de kop van de groep en begint hij te sleuren. Hij beperkt de schade en in ronde drie maakt een vijftal op een ander lastig stuk van het parcours de sprong naar de twee leiders. Ik zie het gebeuren en blijf zitten. ’t Knaagt. Ik wil naar voor, maar weet dat ik mezelf zou opblazen.

Ik probeer me neer te leggen bij de situatie: de besten rijden vooraan en wij rijden voor een ereplaats. Precies zoals ik het had verwacht. Weg droom. Ik besef dat ik in theorie nog lang heb meegedaan voor de wereldtitel. Ik zit nu waar ik verwacht had te zitten en eigenlijk dacht ik hier twee ronden geleden al gezeten te hebben.

Met hoeveel ze vooraan precies zijn weet ik niet. Heb niet zitten tellen. En ondertussen zijn ook andere categorieën van start gegaan waardoor het overzicht helemaal weg is. We rijden renners voorbij, maar niemand weet of zij door pech zijn teruggevallen of gewoon gedubbeld. En veel tijd om vragen te stellen langs de kant is er ook niet. Op de Volkegemberg doe ik toch een poging.

‘Hoeveel’, roep ik naar mijn supporters.

Mijn supporters. Klinkt zo raar.

‘Met vijf, zes. Halve minuut’, krijg ik later terug.

Heel gek dat ik er ondanks al het lawaai en in volle inspanning mijn supporters zo uit haal. Mijn ouders, mijn zus Nikki, Joris, Matt, NVDA en Tim rijden met de fiets van hier naar daar om me drie keer per ronde aan te moedigen. Ook supporteren zij voor Kristof, mijn ploegmaat. Hij fietst achter het peloton en zal verdienstelijk 24e worden.

Peloton is trouwens een groot woord. De laatste passage langs het zwaartepunt van het parcours heeft opnieuw slachtoffers gemaakt. We zijn nog met een stuk of twaalf. Samen met een paar anderen probeer ik het tempo er in te houden. Niet echt met de bedoeling om alsnog naar voor te rijden, wel om niemand uit de achtergrond te laten terugkeren.

Mijn beurten zijn bescheiden. Ik geef nooit alles. Er zijn een paar slepers bij die straks ongetwijfeld nog iets uit hun mouw zullen schudden. Misschien is een plaats in de top tien wel mogelijk. Niet gek doen dus. We moeten nog een kilometer of 20. Nog twee keer de Kattenberg naar beneden, nog een keer de Volkegemberg, gevolgd door de Holleweg. Kutweg.

De supporters keren terug naar het centrum om de aankomst op tijd bij te wonen. Op de Volkegem is het daardoor een pak rustiger geworden. Het tempo is ook een stuk lager dan de voorbije passages. Niet onlogisch natuurlijk. Ik zit in tweede positie en hoop dat niemand het in zijn hoofd haalt om sneller te gaan.

22 kilometer per uur gaat het. De drang om naar het binnenblad te schakelen is groot. Bang voor een demarrage blijf ik toch maar groot trappen. Ik smeek dat niemand het doet. En het blijft gelukkig ook stil. Kasseien. Gootje in. Uitloper. En daar gaat er toch weer één. Verdomme. Tand groter. De Holleweg nadert. Nog eens alles geven. Overleeft. Hier moet ik nu nooit meer over.

’t Valt niet meer stil. Het einde is in zicht. Mijn plan? Gaan of spurten? Ben er nog niet helemaal uit. Maar ik begin de inspanningen wel te voelen. Op een stuk vals plat met de wind volledig in het nadeel schieten er krampen in de bovenbenen. Verdomme. Rechtstaan op de trappers lukt nu niet meer.

Blijven zitten en zo hard mogelijk gaan. Niet lossen. Eén meter. Twee. Verdomme. Iets sneller, Niels. Bijna boven. Kruispunt voorbij. Richting Kattenberg nu. Weliswaar naar beneden. We draaien op. Ik zit in laatste positie. Opschuiven en proberen een beetje te herstellen. Tegen meer dan 70 kilometer per uur. Absurd. Beneden. ’t Valt stil. Aanvallen?

Ik ga. Mijn moment. Tegen beter weten in. De pijn in de benen proberen te negeren en hopen dat ze achter mij naar elkaar kijken. Alstublieft! Maar het slaat tegen. Mijn actie is van korte duur. De benen protesteren en een Nederlander fietst de kloof weer dicht. Ik probeer het kort daarna nog een keer met een wanhoopspoging. Een echte versnelling zit er niet meer in.

We rijden het parcours af richting het centrum van Oudenaarde. Nog drie kilometer. De ene aanval volgt de andere op. Meer dan volgen kan ik niet meer. Ik probeer in een goede positie toch aan de spurt te beginnen, maar de krampen schieten er tot achter de oren in. Tot spurten kom ik niet meer.

Uiteindelijk bol ik als veertiende over de streep. Op amper vijftien seconden van de winnaar. Ofwel hebben ze vooraan geweldig naar elkaar gekeken ofwel heb ik mezelf geweldig onderschat. Ik denk er liever niet over na. Ik ben blij en mag weer een jaar gaan dromen. Hoewel: ’t is straks aan Griekenland.

N.

Geef een reactie