Had ik maar een 30

Als alles goed gaat herhaalt het scenario van vorig jaar zich. Superbenen, mooi weer en na 240 kilometer met overschot Oudenaarde bereiken. Maar het gaat niet gebeuren. Ik sta met een vreemd gevoel in Brugge bij de start van mijn vijfde Ronde van Vlaanderen. Helemaal alleen. ’t Is te zeggen: geen ploegmaat mee. Twee van mijn trainingsmaten die aanvankelijk – of misschien – zouden deelnemen zijn ziek. En ze hebben groot gelijk.

’t Is drie graden en het regent. Gevoelstemperatuur onder nul. Lange mouwen, winter- en regenjas. En twee broeken. Goed beladen, maar bij de eerste of tweede bevoorrading speel ik wel iets kwijt. Papa en zus Nikki hebben mij in Brugge afgezet, zullen het parcours hier en daar afsnijden en voor de nodige steun zorgen. En dus ook voor mijn kleren.

Het doel is om Brugge uit te rijden en een groep te vinden. Meegezogen worden naar de Vlaamse Ardennen. Geen trap teveel geven en zo de heuvelzone bereiken. Ik vind al snel een groep, maar aangenaam fietsen is ’t niet. Na een uur rijden ben ik al helemaal nat en heb ik verschrikkelijk kou. Het gevoel in mijn handen is weg. En ik heb nog niks kunnen eten.

Ik laat de groep noodgedwongen los en fiets solo tot de eerste bevoorrading. Kilometer 50. Een groep Nederlanders vraagt mij de kortste weg naar Oudenaarde. Zie ik er al zo slecht uit dat ze vermoeden dat ik stop? ’t Gaat wel door mijn hoofd. Nog eens 190 kilometer afleggen is in deze omstandigheden voor mij echt niet haalbaar. Ben geen beer.

Gelukkig hebben ook papa en Nikki de weg naar de bevoorrading gevonden. Ik krijg een nieuw paar handschoenen. Onbetaalbaar. Hoe het gaat? Niet goed. Of ik nog zin heb verder te rijden? Nee. Waarom ik toch verder doe? Ik weet het niet. Ik probeer vooral niet veel na te denken en maak van de tweede bevoorrading mijn volgende doel. Het blijft regenen.

Ik vind een aanvaardbaar ritme en bereik na opnieuw 50 kilometer en meteen na de Tiegemberg bevoorrading nummer twee. ’t Is ondertussen gestopt met regenen en dus kies ik bij de wagen voor nieuwe en vooral droge kleren. Er gaat snel een halfuur voorbij voor ik opnieuw op de fiets zit. De volgende hindernissen: de Wolvenberg, een hoop kasseien en de Molenberg.

Ondanks de ellende en de koude die nog altijd in de benen zit, voel ik op de Molenberg dat er nog wel een beetje in zit. Dat ik, als ik heel voorzichtig ben en vooral niet zot doe, de aankomst wel zal halen. Mijn gemiddelde snelheid is ondertussen niet meer van belang. In het eerste uur nog 30, nu al een stuk onder de 27. En het zal blijven zakken.

Eens bevoorrading nummer drie voorbij begint de Ronde echt. De hellingen en kasseistroken volgen elkaar na de Haaghoek op. De Leberg, Berendries, Valkenberg en Eikenberg. Die laatste heb ik nooit graag gedaan. De Koppenberg is de volgende. En als het goed is staan er net als vorig jaar drie supporters op mij te wachten.

In de aanloop naar de Koppenberg is het een blij weerzien met een kwartet enthousiaste Amerikanen. Zo’n 100 kilometer en een paar uur geleden al eens aan de praat mee geraakt. Ze waren toen net terug uit hun hotel in Kortrijk, waar ze na een kletsnatte voormiddag een douche namen en nieuwe kleren aantrokken. “Hey man, you’re back!”

Of ik weet welke helling nu volgt, vragen ze. En of die lastig is. Lastiger dan de Peeterbeurg? Ik vertel dat ik bang ben. Bang dat ik niet boven zal raken. Ik vertel ook dat ze aan de voet beter niet naar boven kijken. Meteen kiezen voor een klein verzet en hopen op een vrije baan. Maar het is druk. Zelfs de zon is naar hier gekomen.

Verstand op nul en trappen. Alles meteen naar links. Kleinste verzet. 28. Had ik maar een 30. Heel veel modder op en tussen de kasseien. Niet van het zadel komen. Totaal geen grip. Ik fiets nog altijd. Ga er een of twee voorbij. Heel veel volk langs de kant. En dan komt het. Het steilste stuk. 22%. Vandaag 35%.

BAM. Een val. Recht voor mijn neus. Voet aan de grond. Ik faal. Niet mijn fout, maar toch. Geef mij een duw, alstublieft. Ik krijg wat ik wil, maar zal na een nieuwe aarzeling toch te voet naar boven moeten. Mama, zus Nele en haar zoontje Senne, straks drie jaar, zien mij en de andere toeristen naar boven wandelen. Ontgoocheling. En zelfs een paar tranen.

De laatste honderden meters spring ik alsnog op mijn fiets. “Komaan Niels, jij kan dat”, roept Senne nog. Vandaag zijn er 15.000 die voor hem Niels heten, maar mij haalt hij er echt wel uit. De steun heeft mij ondanks mijn falen wel weer moed gegeven. Nog 60 kilometer. Dat zijn er nog een kleine 50 tot de Paterberg. Gaat lukken. ‘k Zal er wel komen.

Na de Steenbeekdries volgt de Taaienberg. En daar vertik ik het om het gootje op te zoeken. De benen lopen weliswaar leeg, maar ik moet met een goed gevoel straks naar huis. Daarna volgen onder andere ook nog de Kaperij, de Kanarieberg en de Kruisberg. En net als vorig jaar krijg ik precies daar een geweldige dreun. Alleen komt het nu niet meer goed.

’t Is geen hongerklop. Heb vandaag al tientallen energiebars op. En gellekes. Heel veel gellekes. Kan geen gellekes meer zien. Nee, de benen zijn gewoon op en willen niet meer. De Karnemelkbeekstraat is buiten categorie. Superlang en supersteil. De Oude Kwaremont? Zorgen voor straks. Binnen een kilometer of vijf. Gelukkig vooral in dalende lijn.

Ik doe een poging de benen los te gooien. Doen die mannen op tv ook. Helpt niet zo veel. De Kwaremont komt nu heel dicht. Bocht naar rechts. Daar ligt ‘m. Ik kruip naar boven. De GPS piept. Hij denkt dat ik stil sta. Minder dan 6 kilometer per uur. Doodop. Vorig jaar deze tijd zat ik nu al bij McDonalds frieten te tellen.

Na de Kwaremont zoek ik voor het laatst een boom op. Ik moest al van aan de voet. Daarna gaat het met veel tegenzin richting Paterberg. In de afdaling kan ik het moeilijk laten een paar blikken naar boven te werpen. Ik zie veel mensen. En wandelaars. Het zal toch niet? Ik bereid me voor op het slechtst mogelijke scenario.

Bocht naar rechts. Dranghekken in het gootje. Er is geen alternatief. Alleen de kasseien. Ik zie meteen iemand afstappen. Rechts blijven, alstublieft! Doet ‘ie. Trappen, Niels. En bij elke trap hopen dat het niet de laatste is. Elke meter is gewonnen. Hoofd naar beneden. 21%. En ik fiets nog altijd. Ik ga het doen. Ik ga er komen. Er komt een einde aan vandaag.

In de laatste 50 meter zit er zowaar een versnelling in. Van 6 naar 7 kilometer per uur. Gelukt. En nu naar Oudenaarde. Tand groter. Sprintje. Nee, doet pijn. Ga maar weer zitten. Nog 16 kilometer. Er verschijnt opnieuw een 30 op mijn teller. Puur op een beetje euforie. Maar eens de laatste rechte lijn opgedraaid – eentje van 12 kilometer lang – zet de wind mij wel weer op mijn plaats.

Gelukkig ben ik niet alleen. We draaien met z’n drieën rond. De ene is vijf meter lang en de andere minstens zes. En dus zit ik goed verscholen als ik niet aan de beurt ben. Maar heel snel gaat het niet meer. 25? Zoiets. De streep had van mij ook gerust een stuk dichter mogen liggen. Eens de officiële aankomst bereikt is het zelfs nog een drietal kilometer tot waar die van ons ligt.

Na 240 kilometer zit het er eindelijk op. Een grote kick blijft wel uit. Een kleine ook. Ben te kapot. Bijna net zoals na Luik-Bastenaken-Luik. Papa en Nikki staan me op te wachten, maar ik rijd ze even voorbij. Ze laten me doen. Dat ze trots zijn, vertellen ze. Ben ik ook wel. Had er alleen meer van verwacht. Dat dit mijn laatste Ronde is, ben ik overtuigd.

Maar misschien moet ik wel terug.

N.