Paris-Roubaix

Armen, benen, handen, schouders, rug: alles doet pijn. Kan nog maar met moeite in m’n bidon knijpen. Heb echt geen zin meer om nog verder te gaan. ’t Is nog dertig kilometer. Parijs-Roubaix moet je niet fietsen voor je plezier. Heb het misschien een beetje onderschat. Hoe bizar. Dan kijk je een half jaar uit naar die ene dag en wanneer het zo ver is wil je niks liever dan dat het zo snel mogelijk voorbij is. Hoe het verlangen naar soms groter kan zijn.

De wekker loopt om kwart voor vier af. Heb tegen alle verwachtingen in goed geslapen. Zeven uur zelfs. De wagen laden en rond half vijf zijn we vertrokken richting Busigny. ‘We’ zijn dit keer de ouders en m’n zus Nikki. Ze zullen volgen waar het kan. Hier en daar eens een strook meepikken is het plan. Ik zal ze over de hele dag echter maar weinig zien. Weet ik dan natuurlijk nog niet. Rond half zeven komen we aan in Busigny, waar de cyclo van start gaat.

Nee. Geen Parijs. De ontgoocheling bij Nikki was bijzonder groot. We starten zelfs niet eens in Compiègne, waar die van morgen vertrekken. De cyclo van Parijs-Roubaix bestaat dit jaar slechts, tussen aanhalingstekens, uit 170 kilometer. De laatste 170 kilometer van het echte parcours. Iets meer dan 52 kilometer over kasseien dus. Welkom in de Hel.

Met de Ronde van Vlaanderen en Luik-Bastenaken-Luik op mijn cyclopalmares kon ik haast niet anders dan ook Parijs-Roubaix te proberen. Ben bang voor mijn materiaal, ondanks dat ik koste nog moeite heb gespaard om mijn vehikel kasseiklaar (is dat een woord?) te maken. Ik start met 25 millimeterbandjes en heb een extra stuurlint met gel aangebracht.

De massastart mis ik met een haar en dus vertrek ik om 7.20u voor een lange solo. Dat de wegen meer af dan op lopen geeft mij veel moed. Geen Luik-Bastenaken-Luik-toestanden. Naar beneden, en dan: vlak! Al is dat laatste relatief. Na dertien kilometer volgt al de eerste van 27 stroken. Troisvilles à Inchy heet het ding. Iets meer dan twee kilometer en drie sterren waard.

Ik ondervind al snel dat ik op het buitenblad een stuk makkelijker over de kasseien rijd. De kantjes zoek ik niet op. Daar is ’t vuil en rijd je sneller lek. Bovendien ben ik niet naar hier gekomen om in ’t veld te rijden. De eerste 500 meter kasseien zijn leuk. Ik heb het gevoel dat ik er echt aan begonnen ben. Daarna volgt al een lichte vorm van irritatie. En daarna volgt gewoon irritatie.

De stroken volgen elkaar in een sneltempo op. ’t Valt allemaal wel mee, probeer ik mezelf wijs te maken. Ik rijd iedereen voorbij. Ik ben goed. Misschien heb ik mijn ding wel gevonden ondanks de irritatie. Na een kilometer of 70 zie ik in de verte Wallers liggen. ’t Bos is niet veraf. Laat maar komen.

Ik kijk enorm uit naar ’t Bos en ben tegelijk ook bang. Ik denk aan Johan Museeuw en het been dat hij daar bijna verloor in 1998. Maar ik moet erdoor. Hoe dan ook. Het Bos maakt al van in de verte veel indruk. Ik zie links en rechts bomen, daar tussen iets wat van ver op een stuk straat lijkt waar geen einde aan komt. Maar hoe meer ik nader, hoe slechter die straat eruitziet.

Met links en rechts heel veel publiek moet ik mijn best doen om niet te snel te willen gaan en de concentratie niet te verliezen. De stenen liggen hier enorm slecht. Dit heb ik nog nooit gezien. ’t Gaat van links naar rechts: zoeken naar een degelijke lijn. Ik zie renners over de dranghekken kruipen en verder rijden op een stuk grind dat vanop de kasseien op een racebaan lijkt. ’t Is enorm verleidelijk om niet hetzelfde te doen. Maar ik kan niet: aan het einde van de strook staan mijn ouders en mijn zus. Vandaag moet ik held spelen.

De 2,4 kilometer door het Bos zijn een echte hel. De irritatie zet zich om in frustratie. Blij dat ik er vanaf ben. De volgende stroken kunnen alleen maar meevallen. Dat doen ze ook. ’t Is te zeggen: de eerste twee. Daarna is het vooral pijn lijden en zoeken naar een positie die dat een beetje beperkt. Op Mons-en-Pévèle bedrieg ik voor het eerst de kasseien.

Ik kan het niet laten en zet mijn principe even opzij. Iedereen passeert me nu langs links en rechts en ook al staan die mensen een kilometer verderop aan de kant met een lekke band: ik kan niet anders. De verleiding voor het grind is groot, de pijn nog groter. Ik gun mezelf een meter of vijfhonderd een stukje comfort. De tijd gaat iets sneller vooruit.

Wanneer de volgwagen naast me komt gereden en me nog eens voorziet van voldoende bidons en energiebars wil ik maar één ding weten: zit ik al over de helft van de in totaal aantal kasseikilometers? Ik stel mijn vraag niet. Te bang voor het antwoord.

Op Templeuve – Moulin-de-Vertain kom ik mezelf lelijk tegen. Met zijn halve kilometer nochtans de minst lange van alle stroken. ’t Is nog amper dertig kilometer, maar de tank is leeg en alles doet pijn. Misschien zijn die kasseien toch niks voor mij. Ik zet de tocht ondanks de aanhoudende kotsneigingen verder. Zou het mezelf nooit vergeven nu op te geven. De piste wenkt.

Ik zit voor de rest van de rit met mijn gedachten al in Roubaix. Nog dertig kilometer. Dat zijn er nog twintig tot de laatste tien. Vanaf daar zal ik op euforie met hoge snelheid richting piste rijden. Hoop ik. De realiteit is anders. De kilometers volgen elkaar in een traag tempo op. Heb ondertussen ook helemaal geen idee meer hoeveel stroken er nog moeten komen.

Goed honderd meter voor de gevreesde Carrefour de l’Arbre verbeter ik mijn record aantal keer wildplassen op één dag. Dat dokkeren op de kasseien is ook voor mijn blaas alles behalve goed. Twee bochten verder volgt dan de Carrefour en een dikke shit. Bijna vergeten dat die nog moest komen. De fans zijn er niet geraakt, maar dat vind ik niet erg: ik kom geen poot meer vooruit.

’t Is nog vijftien kilometer tot de finish. Heb het parcours goed bestudeerd maar mijn geheugen laat mij gelukkig in de steek. Ik weet beter niet dat er nog drie secteurs volgen. Die in Gruson is honderdtachtig kilometer lang, die Hem nog net iets langer. De opluchting bij het zien van het bord van de laatste vijf kilometer is groot.

Ik schakel voor het eerst sinds het Bos weer over naar het buitenblad en probeer zo hard mogelijk te fietsen tegen de wind in. De teller nadert de 30 kilometer per uur, maar het gemiddelde stijgt niet meer. De vooropgestelde 27 is een gemiddelde van 25,5 geworden. En in het centrum van Roubaix zal het door de opeenvolging van rode lichten alleen maar zakken.

De laatste strook is een lachertje. Die net voor het opdraaien van de piste. Ik hou mijn adem in bij het zien van alle mensen en kan alleen maar hopen dat ik bij het nemen van de ultieme bocht niet val. Op de piste zelf raak ik vast achter een trio dat wil poseren voor de foto en hen voorbij rijden durf ik niet. Door de vermoeidheid is mijn techniek niet meer wat ze is geweest.

Ik zie Nikki en onze Pa langs de kant en ons Mama staat een eind verderop. Ik rijd nog een ronde – want zo hoort het – en bal de vuist bij het overschrijden van de finish. Het moment waar ik lang naar heb verlangd. Kicken. En genieten, want ik kom hier nooit meer terug. Dat heb ik mezelf dertig kilometer geleden beloofd. Al is een deel van de miserie op de piste wel vergeten.

N.