Driekleur

Ik heb maar één doel: het wiel van nummer 71 volgen en passeren. Dan ben ik kampioen. Denk ik. Ik heb mijn huiswerk wel gemaakt en weet dat 71 een grote kanshebber is op de Belgische driekleur die klaar ligt voor de winnaar. Die mag zich een jaar lang, tenzij een nieuwe onderbreking, de beste fietsende persmens noemen.

Gekeken naar het niveau van mijn wedstrijden is dit de belangrijkste uit de reeks. Alleen vanwege die trui. Dat de mensen zullen omkijken en zich afvragen of ik die trui wel waard ben zal ik er wel bijnemen. Maar dan moet ik wel eerst over die streep zien te geraken. Plaats van afspraak: het autocircuit van Heusden-Zolder.

Het parcours is vier kilometer lang en bolt over mooie brede wegen. Met veel geluk zal ik de remgrepen amper moeten aanraken, maar ik weet wel beter. Door de magere opkomst van persmensen (we zijn met twintig) rijden we overigens samen met de medici en kinesisten. Goed voor een groep van een man of zeventig.

De tactiek heb ik al een beetje verraden: geen trap teveel geven. Het parcours leent zich niet voor een solo. Ik zet alles op mijn sprint. Bij de start weet ik dan ook al dat het een heel saaie wedstrijd zal worden. Ik demarreer al eens graag. Maar de vrienden hebben het er deze week goed ingepropt: blijven zitten en niks doen. Ik gehoorzaam.

Of toch tot halfkoers. Toeval of niet – waarschijnlijk niet – zit ik achter nummer 71. Hij demarreert. Ik twijfel, maar ga toch mee. We hebben snel twintig meter. Hij vraagt om over te nemen. Doe ik. Maar op het moment dat hij mijn rugnummer ziet (waaraan we de categorieën van elkaar kunnen onderscheiden) houdt hij de benen weer stil.

Heb ik mij laten vangen? Ik moet een ronde op adem komen. Die halve kilometer reden we aan 60 kilometer per uur. Een goede reden om terug een brede rug op te zoeken. Maar het had nooit zo ver mogen komen. Eén cartouche kwijt. Als ik straks met een centimeter verlies vergeef ik mij mijn nutteloze reactie nooit.

Net als alle andere renners zou nummer 71 nooit zijn weggeraakt. Besef ik pas wanneer de hartslag weer gezakt is. Ik keer terug naar de vooropgestelde tactiek en volg het peloton. Ik probeer de tijd te doden door te drinken, een gelleke naar binnen te spelen en de ronden af te tellen. Na dik anderhalf uur gaat de bel.

Het tempo gaat de hoogte in. Ik blijf in het wiel van mijn favoriet en ben klaar om te sprinten. Maar dat is buiten nummer 72 gerekend: die is weer gaan aanvallen. Ik raak niet in paniek. Kan toch niets doen uit positie vijftien. Die 72 zal wel terugzakken. Net zoals bij zijn tien eerdere pogingen.

Op het steil knikje loopt het met mij helaas mis. Ik krijg een flinke duw en kom in het gras terecht. Ik verlies tien plaatsen en het wiel van de man die me een groot deel van de wedstrijd onbewust uit de wind heeft gezet. In een poging om snel mijn plaats weer in te nemen gaan een groot deel van mijn krachten verloren. Ik draai de laatste bocht in als vijftiende.

Ik begin te sprinten maar krijg mijn 52×12 niet snel genoeg meer rond. Ik besef dat de trui niet voor mij is. Ik sprint door en passeer als twaalfde de streep. Dan is het tellen. En vloeken. Nummer 72 bleef buiten schot en pakt verdiend de driekleur. Nummer 71 werd tweede en ook eentje van Sporza bleef mij voor. Dikke kak. Vierde.

Hoe relatief deze of eender welke koers ook is: ik had daar graag op het podium gestaan. Maar gezien van waar ik kom (anderhalf jaar niet aan competitie kunnen doen door een virus) moet ik tevreden zijn. En toch ben ik dat niet. Nog niet. Misschien morgen wel. Of de dag daarna.