Luik-Bastenaken-Luik

Klimmen heeft een heel andere betekenis gekregen. Na Luik-Bastenaken-Luik is de Hoge Jan in Buggenhout plots een stuk platter geworden. La Doyenne is geen meter vlak. Geen meter. Altijd op en af. Dat laatste valt nog mee. Of toch in het begin, of als het droog is.

Na drie keer de Ronde van Vlaanderen was ik toe aan een nieuwe cyclo. Parijs-Roubaix is niet goed voor m’n materiaal en de Amstel Gold Race zegt me helemaal niks. De keuze was dus snel gemaakt: we rijden van Luik naar Bastenaken en terug naar Luik.

De laatste bloeduitslag was niet al te best en dus nam ik de laatste weken naar Luik toe meer rust. Tegen de zin. Schrik dat ik Luik niet meer terug zou zien kreeg ik de dagen voor de tocht al enorm veel zenuwen, maar eens aangekomen is daar gelukkig weinig sprake meer van.

’t Is half zeven en dus is er voldoende tijd om me klaar te maken. De inschrijving verloopt erg vlot, mijn bezoek aan het toilet (zo’n Toi Toi spel) iets minder. Heb al wat koerskleren aan. Dom. Dan maar vertrekken met een paar grammetjes meer. ’t Zijn maar tien hellingen, hé. Die overleef ik daar wel mee.

De kilometers naar het officiële parcours van Luik-Bastenaken-Luik zijn een kleine ramp. Een steile afdaling op kasseien en veertig rode lichten. Een groepje zoeken is het plan, maar door steeds weer te stoppen komt daar tot het uitrijden van de stad niets van in huis.

Een eind verderop, ongeveer aan kilometer dertien, laat ik me toch gewillig inlopen. Niet veel later heb ik echter begrepen dat in groep rijden hier niet heel ideaal is. Bergop rijden er al een hele tros flink door – die rapen we straks wel weer op – en in de afdaling bouw ik graag wat veiligheid in.

Wanneer het plots hevig begint te regenen is het nog een stuk minder gezelliger. En bij de splitsing draaien er een hoop wijselijk af. Ik blijf alleen over met in de verte voor me een groep uit, in de achtergrond alleen maar eenzaten. En hoe hard ik ook mijn best doe: die groep zal ik nooit bijhalen.

Met de regenjas aan gaat het richting Bastenaken, waar onze Papa en Nikki me een nieuw paar (en vooral droge) schoenen bieden. Een luxe die niet iedereen heeft. Ik kan er weer tegen en met de wind in de rug krijg ik weer wat motivatie. De eerste helling ligt inmiddels al achter de rug. En ik heb het niet eens gemerkt.

De wegen lopen in de Ardennen altijd op en af. En dus kom ik pas later tot het besef dat we de Côte de la Roche-en-Ardenne al voorbij zijn. De tweede is andere koek. De Côte de Saint Roch heb ik wél gezien. Een beest van 1.100 meter met een gemiddelde stijging van 11% en pieken tot 20%. De Saint Roch is me 1.100 meter te lang.

Na 140 kilometer kom ik mezelf lelijk tegen. Heb me nochtans niet vergaloppeerd. Gewoon niet goed genoeg. Ik probeer de gedachten op mijn benen af te zetten en te genieten van het landschap, ondanks dat het weer is beginnen regenen. Ik put weer motivatie en voor ik het weet (eigenlijk echt niet) zijn we aan de Côte De Wanne. Een loper.

De hellingen volgen elkaar nu in een sneltempo op. De Côte de Stockeu is een verschrikkelijk ding en net zo erg als de Saint Roch. Nooit meer. Of toch niet dit jaar. Een beetje verder ligt de Côte de la Haute-Levée, een saai stuk, de Col du Rosier, eentje van zes kilometer en de Col du Maquisard, waar de wind mee zit.

Op de Mont-Theux probeer ik de benen te sparen met het oog op de Côte de la Redoute. Sparen zit er echter niet in. Ik voel mijn band achteraan leeglopen. Geluk bij een ongeluk staat onze Pa boven om me te helpen. Een nieuw wiel steken doe ik liever niet. Geef mij maar terug die 27.

De laatste bevoorrading ligt een beetje ongelukkig net voor het monster en dus rijd ik er voorbij. De benen lopen leeg, of zijn dat eigenlijk al. Heb immers al 236 kilometer op de teller staan. Maar La Redoute moet wel meevallen: volgens Matt, mijn trainingsmaat die van thuis uit volgt, moet de wind zo in ’t gat zitten!

Ik draai La Redoute op en probeer mijn 27 te sparen tot het lastige stuk, maar zit wel al op mijn 20. Rustig blijven. Tot na de bocht op de 25. Niet naar boven kijken! Bocht voorbij. 27. Hoe zeg je ‘duw mij’ in het Frans? Logisch denken zit er even niet meer in. Tegenwind. Godverdomme, Matt! De mensen applaudisseren. En ik kom eigenlijk geen poot meer vooruit. Het blijft oplopen. Dat de profs hier nog demarreren? Ik rijd tien per uur, of zo. Hoop ik. Ik ben er bijna. Nog twee te gaan.

Het aftellen is begonnen, hoewel ik dat stiekem al 200 kilometer doe. Het einde is nu wel in zicht. Ik amuseer me wel, maar ik zit tegelijk echt wel kapot. De Côte de la Roche aux Faucons is een vloekfestival. Blij dat ik boven ben geraakt. Die 39×27 is me iets te groot vandaag.

Op de Côte de Saint-Nicolas rijden me er nog een paar helden voorbij. Het einde van mijn krachten. De tijdsopname kan me gestolen worden. Luik is altijd het enige doel geweest. Ik roep nog eens naar Nikki. Hoever is het nog? Ter bevestiging. De lach op mijn gezicht bij haar antwoord is niet meer dan een lelijke grimas meer. Nog zes. En het staat er ook gewoon: nog zes kilometer!

Als het dan ook nog eens in dalende lijn richting het centrum van Luik gaat, weliswaar met opnieuw een paar rode lichten, weet ik met mijn vreugde geen blijf. Die laatste regenbui kan de pret niet bederven, en toch blijft een grote kick negen kilometer (en geen zes, leugenaars!) verder uit. Te moe.

Na 271 kilometer, waarvan 220 solo, is Luik dus weer een feit. Het doel is bereikt. En die medaille is een mooie herinnering. De rest vergeet ik mee te nemen. Nu is een periode van rust welgekomen om de bloedwaarden weer wat op te krikken. Een volgende uitdaging is dus nog niet voor morgen. Maar deze nemen ze me niet meer af.

Niels